Veel zelfstandige journalisten zijn dat niet ‘in hoofdberoep’, maar combineren een ander statuut – een beroepsactiviteit of een niet-actief sociaal statuut – met journalistiek als zelfstandige.

Het ‘freelancen in bijberoep’ lijkt overigens in de lift te zitten. Het precaire financiële statuut van de zelfstandige journalist heeft daar ongetwijfeld mee te maken. En verder valt op dat ook veel oudere journalisten die uit de arbeidsmarkt worden gestoten, hun te vroege pensioen alsnog proberen te combineren met wat journalistiek.

Gevolgen nevenkarakter

In het algemeen heeft het nevenkarakter van journalistieke activiteit twee gevolgen.

  • Op het vlak van het beroepsstatuut kun je als journalistieke bijberoeper in principe geen aanspraak maken op een erkenning als beroepsjournalist of journalist van beroep, aangezien journalistiek dan niet je hoofdactiviteit is. Een combinatie met een niet-actief hoofdstatuut (werkloze of gepensioneerde) laat wél toe dat je je titel van beroepsjournalist behoudt.
    Een erkenning is eveneens uitgesloten als je wél een journalistieke hoofdactiviteit uitoefent, maar dat combineert met een commerciële nevenactiviteit. Je kunt dan wel als persmedewerker bij de VVJ aansluiten.
  • Op het vlak van het sociale zekerheidsstatuut ben je als freelancejournalist in bijberoep vrijgesteld van betaling van sociale zekerheidsbijdragen. De eerste voorwaarde is dat je wel degelijk journalistiek werk verricht dat onder de wetgeving op de auteursrechten ressorteert. Voorwaarde twee: je hebt al een sociaal statuut dat minstens gelijk is aan dat van de zelfstandigen. Concreet: je moet al minstens een halftijdse job hebben als werknemer, een 60%-uurrooster als statutair docent, een andere zelfstandige hoofdactiviteit, of het statuut van werkzoekende, loopbaanonderbreker of gepensioneerde.
    Ook al ben je vrijgesteld van sociale bijdragen, je moet wel een ondernemingsnummer aanvragen als inschrijvingsplichtige onderneming, met als Nacebel-code 90.031.

Als je je niet op de omschrijving ‘journalist’ kunt beroepen, zul je als bijberoeper toch verzekeringsplichtig zijn.

De freelancejournalist die nog geen sociaal statuut heeft dat minstens gelijk is aan dat van de zelfstandigen, is eveneens verzekeringsplichtig, en bovendien als ‘hoofdberoeper’. Eventueel kan ook een beroep worden gedaan op het zogenaamde ‘artikel 37’. Het gaat om artikel 37, §1 van het uitvoeringsbesluit bij het sociaal statuut, dat zelfstandigen in hoofdberoep met geringe inkomsten de mogelijkheid biedt te vragen om gelijkgeschakeld te worden met een bijberoep.

We overlopen de verschillende mogelijkheden. Telkens besteden we aandacht aan het beroepsstatuut (mogelijkheid tot erkenning als beroepsjournalist), het sociaal statuut (al dan niet bijdragen betalen) en het fiscaal statuut.

 

STUDENT-ONDERNEMER

Sinds januari 2017 is er een nieuw statuut voor student-ondernemers. Om hiervoor in aanmerking te komen, moet men aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • minstens 18 jaar en hoogstens 25 jaar oud zijn;
  • een studie volgen aan een Belgische of buitenlandse onderwijsinstelling voor minstens 27 studiepunten (of minstens 17 lesuren per week) in functie van een door de bevoegde overheid erkend diploma;
  • aan het sociaal verzekeringsfonds een verklaring bezorgen dat je de lessen op regelmatige basis volgt.

Het statuut impliceert een gunstig stelsel van sociale bijdragen. Zo moet je geen sociale bijdrage betalen tot inkomsten van € 6.923,69 per jaar. Als je inkomen bovendien onder de € 6.923,69 blijft, behoud je je rechten op vlak van ziekteverzekering als persoon ten laste van je ouders. Verdien je meer, dan bouw je die rechten op via de betaling van je sociale bijdragen.

Voor de ouders van een student-ondernemer is het fiscaal interessant dat deze laatste zo lang mogelijk ten laste blijft. Dat kan enkel wanneer de student deel uitmaakt van het gezin (wettelijk gedomicilieerd is in het ouderlijke huis op 1 januari van het aanslagjaar), hij of zij geen lonen ontvangt die beroepskosten zijn voor de ouders, en het netto belastbare jaarinkomen niet hoger ligt dan € 3.270. Is de persoon van wie de student ten laste is een alleenstaande, dan bedraagt dat maximum € 4.720. Deze bedragen gelden voor inkomsten 2018 / aanslagjaar 2019.

Ook belangrijk: als student-ondernemer moet je geen fiscale aangifte doen (en ben je ook geen belastingen verschuldigd) als je in het totaal minder dan € 7.730 verdient.

Voor behoud van het recht op kinderbijslag mag een student in het eerste, tweede en vierde semester slechts 240 uur werken (dit ongeacht het bedrag van de ontvangen inkomsten). Voor het derde kwartaal (de maanden juli, augustus en september) geldt deze regel niet: dan mag je onbeperkt werken in tijd (ook hier speelt de hoogte van de inkomsten geen rol). Zowel de loontrekkende als de zelfstandige prestaties tellen mee voor de grens van 240 uur. In de praktijk leg je een verklaring op eer af dat je niet meer dan 240 uur per kwartaal werkt. Deze verklaring aan het sociaal verzekeringsfonds moet elk jaar worden vernieuwd.

Overschrijd je de drempel, dan krijg je geen kinderbijslag voor het kwartaal waarin je te veel hebt gewerkt (ook al werd de activiteit niet gedurende het volledige kwartaal uitgeoefend).

Wat het beroepsstatuut betreft: een student kan niet worden erkend als beroepsjournalist.

ANDER WERK EN OCCASIONELE INKOMSTEN UIT JOURNALISTIEK

Het is mogelijk een job buiten de journalistiek te combineren met een occasionele bijverdienste in de journalistieke sfeer. Je kunt dan wel niet het officiële statuut van beroepsjournalist verkrijgen, aangezien dat veronderstelt dat journalistiek je hoofdberoep uitmaakt.

Het statuut van ‘occasionele activiteit’ heeft twee voordelen. Er zijn geen sociale zekerheidsbijdragen op verschuldigd. En fiscaal gezien mag je je bijverdienste opgeven als ‘diverse inkomsten’, wat betekent dat ze niet gecumuleerd wordt met de andere beroepsinkomsten en er slechts 33 % belastingen op verschuldigd is.

Maar daarvoor is dus wel degelijk vereist dat het slechts om occasionele, uitzonderlijke prestaties gaat. Zo kan iemand met een journalistieke hoofdjob die af en toe wat schnabbelt bij een andere uitgever in de mediasector, zich niet beroepen op de kwalificatie ‘occasionele activiteit’, omdat zijn bijkomend werk duidelijk in verband staat met zijn hoofdactiviteit. In dit geval dringt zich het statuut van zelfstandige in bijberoep op (zie hierna).

WERKNEMER EN ZELFSTANDIGE JOURNALIST IN BIJBEROEP

Wie kent ze niet: de bankbedienden, leerkrachten of andere loontrekkenden die ‘na hun uren’ werken als lokale nieuws- of sportcorrespondent voor de krant of de radio?

Pas op: een combinatie van het statuut van loontrekkende en dat van zelfstandige is in principe niet mogelijk bij eenzelfde werkgever. Dus: in de week een werknemersstatuut hebben en in het weekend in hetzelfde bedrijf als zelfstandige presteren, kan normaal niet. Werken als redacteur voor een tv-magazine en tegelijk freelancen voor datzelfde tijdschrift bijvoorbeeld werd beschouwd als liggend in elkaars verlengde. Een uitzondering kan worden gemaakt als je activiteit als loontrekkende heel duidelijk is afgescheiden van je nevenactiviteit als zelfstandige.[1]

Wat het beroepsstatuut betreft: de wet van 1963 sluit een erkenning als beroepsjournalist uit wanneer het journalistieke werk niet je hoofdactiviteit is.

Belangrijk is hier nog dat je je niet hoeft aan te sluiten bij een sociaal zekerheidsfonds, op voorwaarde dat je bijberoep wordt gecombineerd met een hoofdberoep dat neerkomt op minstens de helft van een voltijdse betrekking. Voor statutaire leraren is wettelijk 60 % van een volledige uurrooster vereist, voor contractuele leerkrachten volstaat een halftijdse leeropdracht. Statutaire leerkrachten die tussen 50 en 60 % in het onderwijs staan, kunnen worden aangesloten als een zogenaamde ‘artikel 37’ (gelijkgeschakeld met een bijberoep, waardoor een geringere bijdrage mogelijk is).

Worden die minima in loondienst niet gehaald, dan wordt de journalistieke activiteit alsnog als hoofdberoep beschouwd en moet je als zelfstandige de volledige sociale zekerheidsbijdragen betalen.

Loopbaanonderbreking en tijdskrediet als werknemer combineren met een zelfstandige activiteit

Een combinatie van tijdskrediet (privé-sector) of loopbaanonderbreking (openbare diensten) en de uitvoering van een zelfstandige activiteit is enkel toegestaan als je je loopbaan volledig onderbreekt. Om de cumulatie toe te laten moet de zelfstandige activiteit gedurende minstens 12 maanden voorafgaand aan de schorsing van de prestaties zijn uitgeoefend, tegelijkertijd dus met de activiteit die wordt onderbroken door het tijdskrediet. In dat geval mag je deze zelfstandige activiteit gedurende maximaal 12 maanden cumuleren met de uitkeringen voor voltijds tijdskrediet.

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier om tijdskrediet met motief. Dat motief kan zijn de zorg voor iemand of het volgend van een opleiding. Contacteer de RVA voor meer informatie: https://www.rva.be/nl/documentatie/infoblad/t160#h2_0.

Journalistieke loopbaanonderbrekers die een journalistieke nevenactiviteit willen blijven ontplooien, kunnen aanspraak maken op behoud van hun erkenning als beroepsjournalist.

Ook voor loopbaanonderbrekers die in bijberoep journalistiek actief zijn, geldt de vrijstelling van sociale bijdrageplicht (zie hoger).

TWEE ZELFSTANDIGE BEROEPEN TEGELIJK

In principe belet niets een advocaat, een cafébaas of een manager om tegelijk op structurele basis een zelfstandige journalistieke arbeid te ontplooien.

Dat heeft wel gevolgen voor het beroepsstatuut: wegens combinatie met een ‘commerciële nevenactiviteit’ is een erkenning als beroepsjournalist dan onmogelijk.

Met betrekking tot het sociaal statuut geldt de vrijstelling waarvan eerder sprake. Als zelfstandige in hoofdberoep moet je dus geen bijkomende sociale bijdragen betalen op je inkomsten als zelfstandig journalist in bijberoep. Je betaalt uiteraard wel belastingen op de inkomsten uit je journalistieke nevenactiviteit.

WERKZOEKEND EN FREELANCEJOURNALISTIEK

Een werkzoekende mag in principe geen activiteit verrichten die enig materieel voordeel oplevert.

Occasionele arbeid als werkzoekende

Toch kun je als werkzoekende wel eens een occasionele journalistieke opdracht vervullen tegen betaling. Dan moet je vooraf op je controlekaart de overeenstemmende dag (of dagen) aankruisen: indien het een weekdag is, voor het werk tussen 7 en 18 uur, indien het een zaterdag, zondag of feestdag is, om het even welk tijdstip). Je verliest dan je uitkering voor die dag(en).

De directeur van het werkloosheidsbureau kan beslissen dat de activiteit niet langer een occasioneel karakter heeft, maar moet worden beschouwd als een bijkomstige of zelfs hoofdactiviteit.

Werkloos en behoud van bijberoep

Als je werkloos wordt, en je was op dat moment ook actief als journalist in bijberoep, dan mag je je bijberoep slechts verderzetten als vier voorwaarden cumulatief vervuld zijn. Zo moet je het beroep reeds hebben uitgeoefend tijdens je tewerkstelling als werknemer en moet je het aangeven op het moment van de uitkeringsaanvraag. Bovendien mag je deze activiteit niet uitoefenen op weekdagen en dat telkens tussen 7 en 18 uur. Tot slot zijn sommige activiteiten verboden (ook als de drie andere voorwaarden voldaan zijn). Contacteer de RVA voor verdere informatie: https://www.rva.be/nl/documentatie/infoblad/t46.

Springplank naar zelfstandige

Wie werkzoekende wordt, kan nu ook een bijberoep opstarten en gedurende twaalf maanden het recht op werkloosheidsuitkering behouden. Daarvoor moet je wel gelijktijdig aan enkele voorwaarden voldoen:

  1. Je meldt de start van je bijberoep bij je uitbetalingsinstelling op het ogenblik van je uitkeringsaanvraag. Ontvang je al uitkeringen, dan doe je dat vóór je opstart. Laat je dit na, dan riskeer je uitkeringen te verliezen.
  2. Je mag je job als loontrekkende niet stopzetten puur om van deze maatregel te kunnen profiteren.
  3. Je mag je toekomstig bijberoep niet als hoofdberoep hebben uitgeoefend in de afgelopen zes jaar.
  4. Je mag je activiteit niet door derden laten uitoefenen, bijvoorbeeld door iemand aan te werven met een arbeidsovereenkomst of via onderaanneming.

Meer info op https://www.rva.be/nl/documentatie/infoblad/t158.

Wat het beroepsstatuut betreft, is de regeling dat een erkende beroepsjournalist die werkzoekend wordt, zijn titel tijdelijk kan behouden. Dat geldt a fortiori wanneer hij in bijberoep als freelancejournalist actief is.

Ook voor werkzoekenden die journalistiek verrichten in bijberoep geldt de niet-onderwerping aan het sociaal statuut van zelfstandigen, voor zover de tewerkstelling die voorafging aan de werkloosheid minstens halftijds was.

Hoger gingen we al in op de tegemoetkomingen waarop je als werkzoekende een beroep kunt doen als je je voluit als zelfstandige wil engageren (zie hoofdstuk 6).

BRUGPENSIOEN (SWT) EN ZELFSTANDIGE

De term ‘pensioen’ is hier misleidend: het gaat niet om pensioen, maar om een werkloosheidsuitkering, door de voormalige werkgever aangevuld met een bedrag. Daarom ook wordt sinds januari 2012 de term ‘brugpensioen’ niet meer gebruikt en is hij vervangen door het duidelijkere ‘stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag’ (afgekort SWT). Met andere woorden: de RVA is hier betrokken partij.

Mag je als ‘werkzoekende met bedrijfstoeslag’ nog iets bijverdienen? Dat kan, onder bepaalde voorwaarden. Wie af en toe eens een stuk schrijft, moet dat officieel melden voor hij aan zijn activiteit begint (ook als het om een weekend of een feestdag gaat). Dat kan op twee manieren: wie gekozen heeft voor een controlekaart, maakt het vakje zwart van de dag van arbeid. Wie zonder controlekaart door het leven stapt, moet zijn activiteit bij zijn uitbetalingsinstelling melden met een formulier C99. Je verliest dan je uitkering voor elke activiteitsdag.

Als je regelmatig een nevenactiviteit uitoefent, zijn er meer voorwaarden. Je moet je bijberoep al hebben uitgeoefend als werknemer, gedurende minstens drie maanden vóór je uitkeringsaanvraag. Je kunt dus niet met je bijberoep starten tijdens je werkloosheid, behalve in het kader van een ‘springplank naar zelfstandige’ (zie hoger). Je moet je bijberoep ook aangeven bij je uitbetalingsinstelling op het ogenblik dat je je werkloosheid met bedrijfstoeslag aanvraagt.

Als je aan de voorwaarden voldoet, kan de directeur van het werkloosheidsbureau je recht op werkloosheidsuitkering toch nog intrekken als hij oordeelt dat je activiteit niet het karakter heeft van een nevenactiviteit. Hij baseert zich daarvoor op het aantal uren dat je eraan besteedt of het inkomen dat je ermee verwerft.

De inkomsten van je nevenactiviteit mag je in beperkte mate cumuleren met je uitkeringen. Het gedeelte van je inkomsten boven de € 13,98 netto per dag wordt afgetrokken van je werkloosheidsuitkering. De RVA gaat uit van 312 werkdagen, zodat we uitkomen op € 4.361,76 per jaar, zelfde systeem als bij de werkzoekenden. Het gaat om netto bedragen (voor een nevenactiviteit in loondienst: brutoloon – RSZ – bedrijfsvoorheffing; voor een zelfstandig bijberoep: bruto-inkomsten – de lasten).

Meer info over werken als SWT-er vind je op de website van de RVA (https://www.rva.be/nl).

Net zoals gewone werkzoekenden, kunnen zij die een bedrijfstoeslag ontvangen hun titel van beroepsjournalist behouden.

Ook voor werkzoekenden met bedrijfstoeslag die als ‘bijberoeper’ journalistiek actief zijn, geldt de vrijstelling van sociale bijdrageplicht.

GEPENSIONEERD EN ZELFSTANDIGE

Als gepensioneerde kun je sinds 2015 onbeperkt bijverdienen, althans wanneer je ouder bent dan 65 of kan terugblikken op een loopbaan van 45 jaar. Het is om het even of je die bijverdienste hebt als zelfstandige of als loontrekkende.

Voldoe je niet aan de leeftijdsvoorwaarde of de voorwaarde van de 45-jarige loopbaan, dan kun je wel bijverdienen maar geldt er een plafond. Zit je daarboven, dan worden de meerverdiensten in mindering gebracht van het pensioen. Gepensioneerde journalisten die een gezinspensioen ontvangen, moeten extra opletten want er gelden gelijkaardige beperkingen voor wat je echtgenoot/echtgenote nog mag verdienen. Als diens verdiensten de maxima overstijgen, wordt het gezinspensioen omgezet naar dat van een alleenstaande.

Hieronder de maximale bedragen voor een zelfstandig journalist met rustpensioen resp. overlevingspensioen, telkens met en zonder kinderen ten laste.

Gepensioneerd en zelfstandige: maximale bedragen (bruto/2019)

Zonder kinderen ten laste Kinderen ten laste
Rustpensioen € 6.538 € 9.807
Overlevingspensioen € 15.222 € 19.027

Voor de volledigheid vermelden we hier nog de sommen die je maximaal kan bijverdienen als loontrekkende:

Gepensioneerd en loontrekkend: maximale bedragen (bruto/2019)

Zonder kinderen ten laste Kinderen ten laste
Rustpensioen € 8.172 € 12.258
Overlevingspensioen € 19.027 € 23.784

Inzake het beroepsstatuut kunnen erkende beroepsjournalisten die tijdens het pensioen actief blijven in de journalistiek als ‘actief gepensioneerde’ hun beroepstitel behouden. Beroepsjournalisten die niet beroepsactief blijven, kunnen bij de VVJ/AVBB erelid worden.

Als je als gepensioneerde een zelfstandige journalistieke activiteit in bijberoep uitoefent, ben je niet onderworpen aan de sociale zekerheid voor zelfstandigen.

 Meer info