Mediarecht

Op deze pagina gaan we dieper in op journalistiek & Strafrecht, alsook journalistiek en Burgerlijk recht.

We gaan daarnaast dieper in op het kortgeding en het recht tot antwoord.

Strafrecht

In het Strafwetboek staan diverse bepalingen die welbepaalde communicatie van informatie of zelfs meningen strafbaar stellen. Ook wanneer ze door journalisten zouden worden gedaan.

Concreet gaat het om:

  • laster en eerroof
  • smaad aan overheidsagenten, belediging van het staatshoofd
  • het publiceren van sommige herkenbaarheidsinformatie in het kader van jeugd- en gerechtszaken
  • racisme en xenofobie



Cruciaal is echter wat de Grondwet in artikel 150 zegt over de berechting van deze misdrijven wanneer ze worden gepleegd worden door de pers:

De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme of xenofobie ingegeven zijn.

Met andere woorden: enkel het assisenhof is bevoegd om strafbare communicatie te berechten die uitgaat van journalisten. Dat was indertijd niet als een verzwaring van de aansprakelijkheid van journalist bedoeld, maar juist als een bescherming. Hiermee onttrok de grondwetgever in 1831 journalisten aan de rechtsmacht van beroepsrechters, en vertrouwde ze hen toe aan het wijze oordeel van een jury met twaalf burgers. Dit gunstregime komt feitelijk zelfs neer op strafrechtelijke immuniteit, nu het openbaar ministerie persdelicten toch nooit voor het assisenhof brengt. Het doet dat niet omdat het om tijdrovende en arbeidsintensieve processen gaat, waarvan de uitkomst bovendien hoogst onzeker is en die op de koop toe een groot mediageniek gehalte zouden hebben.

Zoals duidelijk blijkt uit artikel 150 van de Grondwet, vallen racistische persmisdrijven niet onder de bescherming van het hof van assisen. Die delicten zijn ‘gecorrectionaliseerd’.

Het vermelde regime geldt, in de huidige stand van de rechtspraak, ook enkel voor strafbare meningsuitingen via de geschreven pers, niet via de audiovisuele media.

Tot slot is het regime niet van toepassing op technische misdrijven, zoals een diefstal, heling, inbraak, telefoontap, de publicatie van foto’s van minderjarigen of inbreuken op het recht tot antwoord. Hiervoor blijven de gewone, correctionele rechtbanken bevoegd.

Burgerlijk recht

artikel 1382: Elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, verplicht degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden.

artikel 1383: Ieder is aansprakelijk niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of door zijn onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.

Ziedaar twee sleutelartikelen uit het Belgisch recht: wie door een fout of nalatigheid aan iemand nadeel berokkent, moet de schade compenseren. Of: potje breken, potje betalen.

Deze burgerrechtelijke aansprakelijkheid is even goed toepasselijk op journalisten als op iedereen anders. Het komt er op neer dat een journalist zich steeds moet gedragen zoals van een normaal zorgvuldig en omzichtig journalist mag worden verwacht.

Bij de beoordeling hiervan gaan de burgerlijke rechtbanken onder meer uit van wat de strafwetten omschrijven als inbreuken op de vrijheid van informatie: laster, eerroof, etcetera. Hierop is dus langs burgerrechtelijke weg alsnog een sanctie mogelijk.

De sanctie kan evenwel nooit een straf zijn (in de zin van een vrijheidsstraf, geldboete of gemeenschapsdienst). Een burgerrechtelijke sanctie omvat wel een schadevergoeding. Deze kan oplopen van een symbolische euro tot een veel hogere som.

Hou er rekening mee dat de schade en de bijhorende vergoeding twee vormen kunnen aannemen:

  • materiële schade(vergoeding): een afgesprongen contract, een kleinere omzet…
  • morele schade(vergoeding): aantasting van de eer en goede naam…

In het verlengde van een burgerlijke veroordeling zal het ook voorkomen dat de uitspraak moet worden gepubliceerd, in het eigen medium en eventueel ook nog in andere.

Belangrijk: de getrapte aansprakelijkheid in persaangelegenheden geldt ook hier! Dat betekent dat in principe de journalist persoonlijk zal worden gedagvaard door iemand die zich benadeeld voelt.

Het is duidelijk dat dit niet altijd correct is. Meer dan eens vervult de journalist gewoon een opdracht van zijn hoofdredacteur, of aan zijn bijdrage is achteraf nog gesleuteld door een eindredacteur. De burgerlijke rechtscolleges zullen daarom toch meer en meer ook betrokken hoofdredacteuren, eindredacteuren en zelfs uitgevers in de rechtszaak betrekken. Eventueel worden zij dan solidair met de journalist veroordeeld.

In de praktijk zullen uitgevers en hoofdredacties hun journalisten – zeker die in loondienst – wel bijspringen, bijvoorbeeld door een advocaat ter beschikking te stellen. Soms betaalt het bedrijf zelfs de schadevergoeding, als die er komt. Voor freelancers geldt dat minder. Van hen zal de uitgever rapper zeggen dat ze als zelfstandige medewerker ook zelf verantwoordelijk zijn voor dingen die verkeerd uitdraaien.

In het verlengde van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van de media, worden meer dan eens ook kort gedingen tegen hen gevoerd. Een kort geding is een snelle gerechtelijke procedure bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg met het oog op het voorkomen van een nadeel dat anders onherstelbaar zou zijn.

Gerechtelijk Wetboek, artikel 584:  De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doet, in gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt.

Iemand die weet heeft van een nakend krantenartikel of televisiereportage waarin hij voorkomt, zou dus naar de voorzitter van de rechtbank kunnen stappen met de vraag om de publicatie van dat artikel of de uitzending van die reportage tegen te houden. Althans wanneer hij daar ernstige redenen voor heeft, én wanneer de publicatie of uitzending onomkeerbare schade (commerciële schade, imagoschade…) dreigt teweeg te brengen.

De rechtspraak zelf is verdeeld over de mogelijkheid om dit te doen.

Veel rechters vinden dat het niet kan, omdat de Grondwet in artikel 25 nu eenmaal elke censuur verbiedt. Artikel 25 Grondwet: ‘De drukpers is vrij, de censuur kan nooit worden ingevoerd.‘ Die rechters wijzen elk kort geding tegen een nieuwsmedium dan ook bij voorbaat af. Vermeende benadeelden hebben altijd nog de mogelijkheid en het formele recht om zich achteraf te verhalen op het medium en de journalist.

Maar andere rechters menen dat het wel kan, een kort geding tegen een nieuwsmedium. Volgens hen staat artikel 584 Gerechtelijk Wetboek niet haaks op artikel 25 van de Grondwet. De persvrijheid belet niet dat in hoogdringende gevallen de rechter wel degelijk kan tussenbeide komen om onherstelbare schade te voorkomen.

Het beste zou zijn dat het Hof van Cassatie, het hoogste rechtscollege in het land, een keer de kans krijgt om de knoop door te hakken.  Het Hof van Cassatie heeft op 29 juni 2000 wel geoordeeld dat de rechter de verdere verspreiding van een weekblad kan verbieden – het met andere woorden kan terugtrekken uit de handel – wanneer het betreffende nummer al gedrukt, verspreid en verkocht werd. Ook mogelijk is dat de wetgever meer duidelijkheid geeft.

Nog een stap verder gaat het wanneer iemand naar de rechter stapt met een eenzijdig verzoekschrift, en de rechter daarop ingaat. Dat betekent dan dat de tegenpartij – in casu het nieuwsmedium of de journalist – niet eens worden opgeroepen voor het kort geding om hun standpunt te vertolken.

Zeker die praktijk is bijzonder omstreden. Ze botst niet alleen flagrant met de persvrijheid, maar ook met de essentiële rechten van verdediging die iedereen heeft.

Recht tot antwoord

Een bijzondere vorm van juridische aansprakelijkheid voor nieuwsmedia is het recht tot antwoord.

Dit valt te beschouwen als de juridische tegenhanger van de beroepsethische plicht om woord en wederwoord te plegen.

Iemand kan een recht van antwoord eisen in een periodieke publicatie van zodra men daarin genoemd of zelfs maar impliciet aangewezen is geweest. Men moet dit wel doen binnen de 3 maanden na de verschijning van het artikel. Het antwoord mag 1.000 lettertekens beslaan, of anders het dubbele van het artikel waartegen men reageert. Het moet afgedrukt worden op dezelfde plaats en in hetzelfde lettertype als het gelaakte artikel.

Voor een recht van antwoord bij de audiovisuele media is de regeling strikter: daar is vereist dat de gelaakte uitzending een foutief of een krenkend karakter had, en dient men bovendien een persoonlijk belang op te geven. Het recht tot antwoord vervalt wanneer de producent spontaan tot een bevredigende rechtzetting over gaat. Men moet het antwoord vorderen binnen de 30 dagen na de uitzending. De tekst van het antwoord mag 4.500 typografische tekens of 3 minuten leestijd beslaan.

Een recht van antwoord moet steeds in rechtstreeks verband staan met de gelaakte tekst of uitzending, mag niet zelf beledigend zijn en mag niet nodeloos derden in de zaak betrekken.

Een periodieke publicatie moet het antwoord afdrukken in het eerste nummer dat verschijnt na verloop van drie werkdagen na de ontvangst. De redactie kan een repliek toevoegen, maar hierop kan vervolgens weer een recht van antwoord worden ingediend. Bij de audiovisuele media dient het antwoord uitgezonden te worden in de eerstvolgende uitzending van hetzelfde type. Hier is een repliek of enige commentaar niet toegelaten.

Bij weigering van publicatie of uitzending van het recht van antwoord, kan de klager een spoedprocedure aanspannen bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. Ook een correctionele veroordeling is mogelijk.

Artikel 1

Onverminderd de andere rechtsmiddelen, heeft elke natuurlijke of rechtspersoon die in een periodiek geschrift bij name is genoemd of impliciet aangewezen, het recht binnen drie maanden kosteloze inlassing van een antwoord te vorderen.

De wetenschappelijke, artistieke of letterkundige kritiek echter levert slechts een recht van antwoord op indien dit ten doel heeft een zakelijk element recht te zetten of een aantasting van de eer af te weren. Indien de bedoelde persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte linie en aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de bij het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

Artikel 2

Het antwoord mag niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de tekst die het recht tot antwoord rechtvaardigt.

De in de zaak betrokken persoon mag ineens het recht tot antwoord uitoefenen op teksten die in verschillende opeenvolgende nummers zijn verschenen.

In dat geval mag zijn antwoord niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de langste van die teksten.

De vordering tot inlassing bevat de nauwkeurige opgaaf van de teksten, vermeldingen of aanhalingen waarop het antwoord betrekking heeft.

Artikel 3

Kan worden geweigerd, de inlassing van elk antwoord:

  1. Dat niet onmiddellijk in verband staat met de bestreden tekst;
  2. Dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
  3. Dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
  4. Dat gesteld is in een andere taal dan die van het periodiek geschrift.

Artikel 4

Het antwoord moet in zijn geheel worden opgenomen zonder tussenvoeging, op dezelfde plaats en in dezelfde lettertekens als de tekst waarop het betrekking heeft.

Het moet worden opgenomen in het eerste nummer dat verschijnt na afloop van een termijn van twee vrije dagen, de zondagen of feestdagen niet inbegrepen, en die ingaat op de dag waarop het antwoord ten kantore van het periodiek geschrift werd ingediend.

Artikel 5

In geval van overtreding van artikel 4, wordt de uitgever gestraft met geldboete van 26 frank tot 5 000 frank. Artikel 85 van het Strafwetboek is op dit misdrijf van toepassing.

Indien de dag van het vonnis het antwoord nog niet werd opgenomen, gelast de rechtbank de opneming binnen een termijn die zij vaststelt, en veroordeelt zij bovendien de uitgever tot een geldboete van 100 frank per dag vertraging van het verstrijken vanaf deze termijn; in een speciaal met redenen omklede beschikking kan zij verklaren dat het gedeelte van het vonnis dat de opneming beveelt uitvoerbaar is bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep.

Artikel 9 der wet van 31 mei 1888 waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorwaardelijke veroordelingen in het strafstelsel worden ingevoerd, zoals het bij de wet van 14 november 1947 werd gewijzigd, is niet van toepassing op de veroordelingen waarvan sprake in het voorgaande lid.

Artikel 6

Bij gebreke van aanduiding van de naam van de uitgever in het periodiek geschrift, wordt de drukker, behoudens het tegenbewijs, verondersteld de uitgever te zijn.

Artikel 7

Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, elke feitelijke vereniging, die bij name is genoemd of impliciet is aangewezen in een audiovisuele uitzending, uitgave of programma van periodieke aard, het recht, onder aanwijzing van een persoonlijk belang, kosteloos de uitzending of de opneming van een antwoord te vorderen om één of meer onjuiste feiten die hem betreffen recht te zetten of om te antwoorden op één of meer feiten of verklaringen die van zodanige aard zijn dat zij de eer aantasten.

Indien de persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte lijn of aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 8, eerste lid, van deze wet, is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

Artikel 8

Op straffe van onontvankelijkheid moet de aanvraag tot antwoord aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • uiterlijk de dertigste dag na de datum van de uitzending, het programma of de uitgave bij ter post aangetekende brief worden toegezonden aan de producent van de uitzending of het programma of aan de uitgever;
  • de volledige identiteit van de verzoeker alsmede zijn woonplaats vermelden, indien het een natuurlijke persoon betreft. Bij rechtspersonen worden de firmanaam, de juridische aard, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld. Bij feitelijke verenigingen worden de naam, de zetel, de statutaire organen en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld;
  • alle nodige inlichtingen geven zodat kan worden vastgesteld om welke bestreden uitzending, programma of uitgave en om welke gewraakte passages het gaat;
  • met redenen omkleed en ondertekend zijn;
  • het gevraagde antwoord bevatten; de tekst ervan moet in ten hoogste drie minuten kunnen worden gelezen of bestaan uit ten hoogste 4 500 typografische tekens.

Artikel 9

Geweigerd kan worden de uitzending of de opneming van elk antwoord:

  • dat niet in onmiddellijk verband staat met de bestreden woorden of beelden of dat verder gaat dan nodig is om de onjuist verklaarde feiten te verbeteren of dat schadelijk is voor de eer;
  • dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
  • dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
  • dat gesteld is in een andere taal dan die van de bestreden uitzending, uitgave of programma.

Artikel 10

Er is geen grond tot antwoord indien spontaan een bevredigende rechtzetting is gedaan door de producent of de uitgever.

Indien deze rechtzetting door de verzoeker niet bevredigend wordt geacht, kan hij gebruik maken van de rechten die hem worden toegekend door de bepalingen van deze wet.

Artikel 11

  • 1. Wanneer de aanvraag tot antwoord en de voorgestelde tekst aanvaard worden, wordt dat antwoord uitgezonden in de eerstvolgende uitzending of in het eerstvolgend programma van dezelfde reeks of van hetzelfde type, zo dicht mogelijk bij het uur waarop de betrokken uitzending of programma heeft plaatsgehad.

Indien de aanvraag tot antwoord een periodieke uitgave betreft, wordt de tekst opgenomen in de eerstvolgende uitgave.

Indien de frequentie te gering is, kan de verzoeker vorderen dat zijn antwoord wordt uitgezonden in de eerstvolgende uitzending.

Het antwoord wordt zonder commentaar of repliek gelezen door de persoon die door de producent of door de uitgever is aangewezen.

De verzoeker heeft in geen geval toegang tot de microfoon, de camera of de opnameapparatuur.

  • 2. Wordt het verzochte antwoord aanvaard, maar niet in zijn geheel, dan stuurt de producent of de uitgever aan de verzoeker een tegenvoorstel. Dit moet bij aangetekende brief worden medegedeeld binnen vier werkdagen, te rekenen van de dag na de ontvangst van de aanvraag.

Wordt het tegenvoorstel door de verzoeker aanvaard, dan wordt het antwoord uitgezonden of opgenomen op de wijze bepaald in § 1.

  • 3. Indien de producent of de uitgever de aanvraag tot antwoord afwijst, deelt hij dit onder opgave van redenen bij aangetekend schrijven aan de verzoeker mee binnen een termijn van vier werkdagen, ingaande op de dag na de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 12

Indien de formaliteiten bepaald in § 2, eerste lid, en § 3 van artikel 11 niet vervuld zijn, indien de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of het tegenvoorstel van tekst niet wordt aanvaard, kan de verzoeker de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en wel binnen vijftien dagen te rekenen van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven of binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel. Bij de voorzitter kan binnen dezelfde termijn een verzoekschrift tot minnelijke schikking aanhangig worden gemaakt overeenkomstig artikel 731 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoekschrift heeft ten aanzien van de termijn van vijftien dagen de gevolgen van een dagvaarding, mits gedagvaard wordt binnen vijftien dagen na het proces-verbaal houdende vaststelling dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, als alleenspreker rechter zitting houdende, beslist ten gronde en in laatste aanleg volgens de procedure bepaald in de artikelen 1035, 1036, 1038 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek over de verplichting van de producent of de uitgever om het antwoord uit te zenden of op te nemen.

In geval van beschikking bij verstek kan verzet worden gedaan binnen vijftien dagen na de kennisgeving. Van de beschikking wordt aan de partijen kennis gegeven bij gerechtsbrief.

Artikel 13

Van elke uitzending, programma of uitgave moet een opname bewaard worden, zolang een aanvraag tot antwoord kan worden ingediend.

Wanneer geen opname kan worden overgelegd, moet het antwoord worden uitgezonden of uitgegeven, voor zover het in overeenstemming is met de wet.

Wanneer de aanvraag tot antwoord tijdig is ingediend, moet de opname van de betrokken uitzending, programma of uitgave bewaard worden tot het geschil beslecht is.

De opname van het antwoord moet gedurende drie maanden worden bewaard.

Artikel 14

Op een antwoord geven geen recht de uitzendingen die door de uitzendingsinstituten van radio- en televisie worden toegestaan aan erkende verenigingen en stichtingen, voor zover die uitzendingen gerealiseerd worden in overeenstemming met de bepalingen die de uitzendingen door erkende verenigingen en stichtingen regelen.

Artikel 15

Met geldboete van 26 tot 5 000 frank en onverminderd burgerrechtelijk herstel kan worden gestraft het feit van een antwoord niet uit te zenden of op te nemen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 1 en § 2, tweede lid, of de minnelijke schikking dan wel de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet uit te voeren.

Artikel 16

Vervolging geschiedt alleen op klacht of op rechtstreekse dagvaarding van de verzoeker. Deze kan in elke stand van het geding afstand doen. Afstand doet de strafvordering vervallen.

Artikel 17

De strafvordering en de burgerlijke vordering wegens overtreding van deze wet verjaren na drie maanden te rekenen van de dag waarop de opneming of de uitzending hadden moeten plaatshebben.

Artikel 18

De hoven en rechtbanken doen op de vorderingen ingesteld overeenkomstig deze wet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.

Journalistenloket

Zennestraat 21
1000 Brussel
info@journalistenloket.be
02 777 08 40

Een intitiatief van

VVJ-VlaamseVerenigingvanJournalisten-logo

Met steun van

logo-vlaamse-overheid