Fiscaal statuut

Onder Fiscaal statuut leggen we je alles uit over auteurs en btw. Daarnaast bespreken we de inkomsten die je moet aangeven en de kosten die je mag aftrekken. Tot slot overlopen we het fiscaal regime voor auteursrechten. Heb je vragen over dat regime, neem gerust contact op met onze collega’s van de JAM.

Auteurs in principe vrijgesteld van btw

De algemene regel is dat iedereen die zelfstandig een economische activiteit uitoefent btw-plichtig is. Het gaat om een belasting op de verkoop van goederen of diensten, die je doorrekent aan de cliënt.

Sommige handelingen zijn evenwel vrijgesteld van btw-heffing. Een van die vrijstellingen is voor journalisten relevant. Artikel 44, §3, 3° van het btw-wetboek heeft het over een door een auteur gesloten ‘contract voor uitgave van letterkundige werken of kunstwerken’. Daarmee worden werken bedoeld – zowel tekst als foto’s – die een persoonlijk en origineel karakter hebben en als dusdanig beschermd worden door het auteursrecht.

Een administratieve circulaire nr. 11 van 18 januari 1971 heeft geëxpliciteerd dat ook persartikelen die verslag uitbrengen over politiek, economie, wetenschap of sport onder de vrijstelling vallen. In een circulaire nr. 8 van 10 maart 1993 heeft de btw-administratie dat nog eens bevestigd.

Intussen is de btw-vrijstelling ook uitgebreid tot audiovisuele werken en journalistieke websites. Uit een antwoord van voormalig minister van Financiën Didier Reynders op een parlementaire vraag blijkt dat “geen enkel onderscheid dient te worden gemaakt voor wat de wijze van terbeschikkingstelling aan het publiek betreft, evenals voor wat de drager betreft. Alle technieken komen in aanmerking, zowel papier als digitaal als internetsites.”

Reynders heeft ook de definitie van ‘letterkundige werken of kunstwerken’ uitgeklaard: “De termen ‘letterkundige werken of kunstwerken’ omvatten alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, zoals boeken ongeacht het genre (romans, technische werken, stripverhalen, boeken binnen dewelke illustraties een essentiële plaats innemen, …), brochures, teksten van persartikels, voordrachten, toespraken, preken en andere geschriften van die aard, teksten van sketches, scenario’s en dialogen van theaterstukken en films, romanaanpassingen voor het toneel en voor het scherm; muzikale composities met of zonder woorden; de weergave van choreografische werken en de beschrijving van pantomimes; dramatische toneelwerken en dramatisch-muzikale werken; cinematografische en televisuele werken en, meer algemeen, audiovisuele werken (hierin begrepen rechtstreekse radio- en televisie-uitzendingen, interviews, reclamespots, muziekclips, videospelletjes, diavoorstellingen); stripverhalen en werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithografeerkunst; fotografische werken; werken van toegepaste kunsten; tekeningen, schetsen, kaarten en plastische werken met betrekking tot aardrijkskunde, topografie, geschiedenis, bouwkunde, wetenschappen, enzovoort.”

Een formele voorwaarde voor de btw-vrijstelling is dat er een ‘contract van uitgave’ is. Van zo’n contract is sprake als de contractant aan wie de werken worden aangeboden zich ertoe verplicht ze te publiceren. Een persfotograaf bijvoorbeeld, die foto’s zou aanbieden aan een krant of magazine zonder dat de uitgever van dat medium zich ertoe engageert die te publiceren, heeft nog geen contract voor uitgave en valt dus wél onder de btw-plicht.

De administratie vereist anderzijds niet dat telkens een ‘contract voor uitgave’ wordt voorgelegd. Volgens de circulaire van 1993 “getuigen opgestelde krantenartikelen gewoonlijk van een persoonlijk en origineel werk en wordt er normaal in hun publicatie voorzien.”

Journalisten die onder de btw-vrijstelling vallen, kunnen voor de betaling eenvoudige ereloonnota’s bezorgen aan die uitgevers. Die zijn niet onderworpen aan bijzondere formaliteiten, wel vermelden ze best uitdrukkelijk: ‘vrijgesteld van btw krachtens artikel 44, §3, 3° van het btw-wetboek’.

Niét vrijgesteld zijn dus loutere overdrachten van informatie die geen persoonlijk en origineel werkstuk van de journalist zijn, of die niet gebeuren met een ‘contract voor uitgave’. Voorts geldt de vrijstelling alleen voor natuurlijke personen als auteur. Contracten voor uitgave die zijn afgesloten door een rechtspersoon (vennootschap) vallen dus onder de btw-plicht.

Sinds 2017 voeren de Vlaamse nieuwsmedia Mediahuis, De Persgroep, Mediafin en Roularta een eigen btw-beleid. Ze beschouwen hun contracten met freelancers – zowel redacteuren als fotografen – niet langer als contract voor uitgave, en vragen hen in het verlengde hiervan om voortaan te factureren met btw. Die uitgevers doen dat om redenen van interne administratieve vereenvoudiging. De VVJ betreurt deze eenzijdige koerswijziging fel, en verkreeg uiteindelijk dat er toch rekening wordt gehouden met de wil van journalisten die de btw-vrijstelling graag behouden.

Men kan dus btw-plichtige activiteiten hebben bij de ene uitgever en van btw vrijgestelde activiteiten bij een andere uitgever (waar men een contract voor uitgave mee heeft).

Als zelfstandige journalist kun je er soms baat bij hebben btw-plichtig te zijn. Dat komt omdat je van de btw die je moet doorstorten aan de schatkist, de btw kunt aftrekken die je zelf hebt betaald op beroepshalve aangekochte producten of diensten. Omdat je als journalist-leverancier onder het 6%-tarief valt, en je bij je aankopen meestal hogere tarieven zult betalen, valt de rekening soms positief uit. Het saldo wordt in principe overgedragen naar het volgende jaar, maar wordt bij overschrijding van bepaalde sommen ook in baar geld terugbezorgd. Met name een journalist die veel investeert, kan zijn voordeel doen met een onderwerping aan de btw.

Opgelet: je hebt niet zomaar de vrije keuze om je al dan niet aan de btw te onderwerpen. Je bent slechts btw-plichtig als je je in één van de twee onderstaande situaties bevindt:

  1. Je let erop dat je contracten met je uitgever(s) niet aan de voorwaarden voor de vrijstelling voldoen, bijvoorbeeld door geen contract voor uitgave te hebben.
  2. Een andere mogelijkheid is dat je je prestaties uitvoert in het kader van een (altijd btw-plichtige) vennootschap. Natuurlijk zullen ook andere factoren deze optie beïnvloeden.                                                       

Hou er ook rekening mee dat een btw-onderwerping een zekere administratie veronderstelt, van registratie bij de btw-administratie over het bijhouden van de facturen tot het regelmatig invullen van aangiften.

Een freelancejournalist die niet aan de gestelde voorwaarden voldoet – geen origineel werk, of geen contract voor uitgave, of levering via een vennootschap – is btw-plichtig. Hij moet dan 6% btw op het ereloon aanrekenen.

Pas op: wie louter journalistieke ‘dienstverlening’ verricht op freelancebasis (redactiecoördinatie, foto- en video-opdrachten uitzetten, voor een deel ook eindredactie) is voor inkomsten uit die werkzaamheden in principe onderworpen aan een tarief van 21%.

Voor wie met btw factureert aan buitenlandse afnemers, zijn de regels in 2010 wat veranderd. Diensten die men verricht voor een btw-plichtige klant worden nu geacht te gebeuren op de geografische plaats van die klant. In dat geval reken je dus geen btw aan op je factuur. Werkt men voor een niet-btw-plichtige klant – wat toch wel uitzonderlijk zal zijn voor journalisten – dan blijft de plaats bepalend waar de leverancier van de dienst is gevestigd. In dat geval reken je dus wel btw aan op je factuur.

De onderwerping aan de btw veronderstelt dat je je laat registreren als btw-plichtige, je verrichtingen bijhoudt en regelmatig aangifte doet.

Btw-plichtige freelancers moeten ook facturen uitschrijven aan hun uitgevers waarop de volgende vermeldingen voorkomen:

  • het woord ‘factuur’
  • datum van de factuur
  • volgnummer van de factuur
  • naam, adres, ondernemingsnummer, eventueel btw-nummer en bankrekening van de zelfstandige journalist of diens bedrijfje en van de medecontractant (van die laatste hoef je natuurlijk niet de bankrekening te vermelden)
  • datum van het belastbare feit of de datum van de ontvangst van (een deel van) de prjis
  • omschrijving van de geleverde prestatie (zodat het toepasselijke btw-tarief kan worden vastgesteld)
  • de prijs
  • het toepasselijke btw-tarief en het hieruit voortvloeiende btw-bedrag
  • indien van toepassing: de reden van vrijstelling
  • eventuele algemene voorwaarden op de achterzijde van de factuur en verwijzing ernaar op de voorkant
  • ‘Btw verlegd’ indien btw is verschuldigd door de medecontractant.

Op het niet vermelden van de vereiste gegevens staat een administratieve boete. Die loopt op naargelang het de eerste, tweede of volgende overtreding betreft.

Een foute factuur moet je rechtzetten met een zogenaamde creditnota ten voordele van je klant.

Download een modelfactuur.

Voor kleine ondernemingen geldt sowieso een vrijstelling van btw. Het gaat om ondernemingen met een jaaromzet aan btw-plichtige activiteiten van maximaal € 25.000.

Als je aan de voorwaarden voldoet, moet je op je facturen vermelden: ‘Kleine onderneming onderworpen aan de vrijstellingsregeling van belasting, btw niet toepasselijk.’ (art. 56bis van het btw-wetboek en koninklijk besluit nr. 19 van 29 december 1992).

Er zijn ook dan wel enkele verplichtingen:

  • indienen van aanvang, wijziging en stopzetting van werkzaamheid;
  • facturen opmaken volgens de regels die gelden voor andere btw-plichtigen;
  • vóór 31 maart van elk jaar een opgave indienen van de afnemers-btw-plichtigen waaraan in de loop van het voorgaande kalenderjaar diensten werden verstrekt of goederen geleverd. Die opgave moet ook vermelden: het totaalbedrag van de omzet gerealiseerd in de loop van het voorgaande jaar, en het tijdvak waarin de activiteit werd uitgeoefend, indien die is aangevangen in de loop van het jaar.

Inkomstenbelasting

De aan te geven beroepsinkomsten zijn deze die reëel ontvangen zijn in de belastbare periode. Een ereloonnota die in 2019 is uitgeschreven, maar in dat jaar nog niet betaald, moet dus bij het invullen van de aangifte in 2020 nog niet worden aangegeven.

Het is belangrijk dat je al je beroepsinkomsten aan de fiscus doorgeeft, ook die van occasionele opdrachten. De verleiding om die bijverdiensten als ‘diverse inkomsten’ (in deel 2 van de belastingaangifte) aan te geven, is groot wegens het 33%-tarief dat hiervoor geldt. Maar de fiscus beschouwt ontvangsten die in verband kunnen worden gebracht met de hoofdactiviteit al heel snel als beroepsinkomsten, die dus bij het hoofdinkomen moeten worden geteld en aan de gewone belastingaanslagvoet zullen worden belast.

Wat niét als gewone beroepsinkomsten worden beschouwd, zijn de auteursrechtelijke vergoedingen die men ontvangt. Deze worden sinds 2008 als roerende inkomsten beschouwd en tegen een lager tarief (van in principe 15%) belast. In principe houdt de schuldenaar van de auteursrechten de verschuldigde belasting aan de bron in en stort die door naar de overheid. Dit is voor de uitgever een wettelijke plicht. De 15% roerende voorheffing gebeurt bovendien op een bedrag waarvan eerst een forfaitair onkostenpercentage is afgetrokken, zodat je in de praktijk minder dan 15% betaalt.

Prijzen en subsidies die journalisten in de wacht slepen, worden eveneens afzonderlijk belast. Een gedeelte is zelfs vrijgesteld; voor het saldo geldt een belasting van 16,5%.

Je honoraria als freelancejournalist moeten worden gezien als omzet. Nog voor er een belasting op geheven wordt, kunnen vanzelfsprekend eerst alle beroepskosten worden afgetrokken.

Het gaat dan uiteraard wel om kosten die je als freelancer zélf draagt. Kosten die de uitgever terugbetaalt, zijn ofwel niet in rekening te brengen, ofwel in mindering te brengen van de zelfgemaakte kosten.

Je kunt kiezen voor twee mogelijkheden: een forfaitaire aftrek van kosten of een aftrek van de werkelijke kosten.

a) Forfaitaire aftrek beroepskosten voor ‘baten’

Aanslagjaar 2020 / inkomsten 2019

INKOMSTENSCHIJF

 

AFTREK

< € 6.120

 

28,70% (€ 1.756)

€ 6.120 tot € 12.160

 

10% (€ 604)

€ 12.160 tot € 20.240

 

5% (€ 404)

€ 20.240 tot € 69.091,99

 

3% (€ 1.465,56)

> € 69.091,99

 

0%

 

Maximumaftrek: € 4.229,56.
In de praktijk kiezen vooral loontrekkenden voor dit forfaitaire aftreksysteem.

b) Werkelijke aftrek beroepskosten

Voor zelfstandigen is het stelsel van aftrek van werkelijke kosten interessanter. De wettelijke basis is artikel 49 van het Wetboek van Inkomstenbelasting (WIB): “Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval dit niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.

Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben gekregen en als zodanig zijn geboekt

Voor het aftrekken van de werkelijke beroepskosten moet je werken met kosten die nodig of nuttig zijn voor het verkrijgen of behouden van beroepsinkomsten. De kosten moeten dus niet per se ‘nodig’ zijn, wel – vanuit de beroepsuitoefening gezien – ‘nuttig’. Voorzichtigheid is hoe dan ook geboden: als de fiscus bepaalde beroepskosten verwerpt, zal dat een directe weerslag hebben op het financiële eindresultaat van je belastingen. Toch mag de fiscus niet oordelen over de opportuniteit van uitgaven die je als freelancer hebt gedaan.

De afgetrokken werkelijke beroepskosten moeten worden opgenomen in een bijlage bij de belastingaangifte. Let erop dat je de echtheid van de ingebrachte kosten kunt aantonen met bewijskrachtige stukken. Vandaar: vraag altijd documenten, laat die uitdrukkelijk vermelden waarop ze slaan, en hou ze goed bij. Vermeld bijvoorbeeld op de ommezijde van een restaurantbonnetje meteen op welke wijze die uitgave heeft bijgedragen tot je beroepsactiviteit. Of betaal met een kredietkaart. Slechts heel uitzonderlijk zal de fiscus beroepskosten aanvaarden die kunnen worden ‘vermoed’.

Gebouwen of lokalen. Komen onder meer in aanmerking voor aftrek: huur en huurlasten. Check hierbij wel in je huurcontract of je je huurpand voor beroepsdoeleinden mag gebruiken, de eigenaar ervan wordt dan namelijk zwaarder belast op zijn onroerend goed. Voor zover een gebouw je eigendom is, zijn interesten op leningen en afschrijvingen aftrekbaar. Ook energie- en onderhoudskosten komen in aanmerking. Bij panden met een gecombineerd professioneel en privaat gebruik, kun je de kosten van het beroepsgedeelte aftrekken. Met de fiscus maak je vooraf een afspraak welk percentage van het hele gebouw als beroepsgedeelte geldt. Dat percentage pas je dan toe op al je kosten die verbonden zijn aan het gebouw.

Kantoorbenodigdheden. Denk aan pc, tablet, smartphone, telefoon, postzegels, onderhoud en herstelling materiaal, drukwerk, fotokopieën, documentatie, klein materiaal… Vaak dienen deze zaken voor gemengd professioneel/privaat gebruik, en dat ontgaat de belastingcontroleurs niet. Ook hierover maak je een afspraak met de fiscus.

Autokosten. Sedert 1 januari 2020 geldt er een nieuwe gramformule voor de berekening van de fiscale aftrekbaarheid van autokosten, en dit zowel in de vennootschapsbelasting als in de personenbelasting. De brandstofkosten worden in dezelfde mate aftrekbaar als de autokosten, dus ook in functie van de CO2-uitstoot van de auto. De 120% aftrek voor de elektrische wagens verdwijnt. De zogenaamde fake hybride wagens aangekocht, geleased of gehuurd sedert 1 januari 2018 verliezen hun fiscaal gunstig statuut.

Financieringslasten voor beroepsmatig gebruikte zaken zoals auto en pc zijn altijd beperkt tot het beroepsmatige gedeelte ervan. Voor dat gedeelte zijn ze dan wel volledig aftrekbaar.

Afschrijvingen, dat zijn geraamde jaarlijkse waardeverminderingen van eigen activa. De fiscus hanteert hiervoor meestal min of meer vaste termijnen: een pc schrijf je bijvoorbeeld af op drie jaar, een auto op vijf.

Abonnementen. Abonnementen op kranten, tijdschriften en andere publicaties, alsook aansluitingen voor tv of internet zijn aftrekbaar voor zover er een verband is met de beroepsactiviteit, en dat is bij journalisten toch echt wel het geval. Niettemin oppassen voor overdrijving: ook hier geldt dat je best overleg pleegt met je belastingcontroleur.

Kosten voor vorming, bijscholing, studiedagen, colloquia, en dergelijke.

Restaurant- en receptiekosten. Die zijn voor 69 % aftrekbaar, de kosten kunnen zowel in het binnen- als in het buitenland gemaakt zijn.

Representatiekosten: diners, geschenken.

Reizen. Maak voor elke reportage in het buitenland een enveloppe met alle gemaakte kosten voor reis, verblijf enzovoort.

Belastingen. Voor niet-btw-plichtigen: de niet-verrekenbare btw Verder: niet-inkomstenbelastingen zoals provincie- en gemeentebelastingen op je onderneming.

Sociale bijdragen en premies. Het gaat om de bijdragen aan de sociale verzekeringskas, ook bijdragen voor vrije en aanvullende sociale verzekeringen (bij voorbeeld het VAPZ), en verder alle premies betaald voor om het even welke verzekering in verband met het beroep.

Kosten voor boekhouding.

Lidgeld VVJ/AVBB en eventueel andere beroepsverenigingen.

Commissielonen: mits aantonen dat zoiets gebruikelijk is en niet overdreven.

We gaan voorbij aan de diverse stappen in de berekening van het belastbare inkomen (met aftrekken voor personen ten laste, voor hypothecaire leningen en nog veel meer), en beperken ons hier tot de tarieven op de verschillende inkomensschijven.

Aanslagjaar 2020, inkomsten 2019

Belastbaar inkomen

 

Basisbelasting

< € 13.250

 

25%

€ 13.250 tot € 23.390

40%

 

€ 23.390 tot € 40.480

 

45% 

> € 40.480

 

50%

Let wel: daar kunnen nog aanvullende gemeentebelastingen (de zogenaamde opcentiemen) bijkomen. Die variëren van nul tot negen opcentiemen. De gemeenten Knokke, De Panne en Koksijde hanteren een nultarief.

Zelfstandigen doen er best aan voorafbetalingen op de personenbelasting te doen. Die vinden plaats voor 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december. In principe ben je telkens ¼ van de totaal verschuldigde personenbelasting verschuldigd. Doe je als zelfstandige geen voorafbetaling, dan wordt je belasting vermeerderd.

De banken bieden geautomatiseerde systemen aan voor de voorafbetalingen, inclusief de mogelijkheid tot lening als dit nodig zou zijn.

Zelfstandigen die zich voor het eerst vestigen als zelfstandige in hoofdberoep moeten tijdens de eerste drie jaar geen belasting vooraf betalen. Wie dat toch doet, krijgt een bonificatie.

Info bij Financiën over voorafbetalingen

Goede publicaties zijn de Belastinggids van Test-Aankoop en de Belasting- & Beleggingsgids van uitgeverij Pelckmans.

Voor gepersonaliseerde informatie kun je ook terecht bij een boekhouder.

Fiscaliteit en Auteursrechten

Sinds 2008 worden inkomsten uit de overdracht van auteursrechten beschouwd als ‘roerende inkomsten’, onderworpen aan een fiscaal voordelig tarief van 15%. Bovendien gelden voor auteursrechtelijke vergoedingen vrij hoge forfaitaire kosten, zodat men zelfs bij het maximale bedrag dat men als inkomsten uit auteursrechten kan inbrengen, niet aan 15% roerende voorheffing komt. Het maximumbedrag voor aanslagjaar 2019 (inkomsten 2018) was € 59.970 en voor aanslagjaar 2020 (inkomsten 2019) is dat € 61.200.

In 2017 bereikten de VVJ en de Vlaamse uitgevers een akkoord met de fiscus over de concrete toepassing van het regime voor freelancejournalisten. In een ‘ruling’ met de Dienst Voorafgaande Beslissingen (DVB) van de FOD Financiën is afgesproken dat de helft van wat nieuwsmedia aan hun freelancers betalen wordt beschouwd als gewone ‘baten’, de andere helft als ‘auteursrechtelijke vergoeding’. Uiteraard voor zover het gaat om auteursrechtelijk beschermd werk waarvan de auteursrechten worden overgedragen aan de nieuwsmedia.

De 50/50-regeling geldt voor zowel freelancers in hoofd- als in bijberoep. Ze trad in werking op 1 juli 2017.

Een overzicht van de belastingen (roerende voorheffing) op de inkomsten uit auteursrechten.

Meer info bij de Journalisten Auteursmaatschappij

Voor het inkomstenjaar 2020 (aanslagjaar 2019):

Auteursrechten

 

Forfaitaire kosten

Belastbaar

Roerende voorheffing

€ 0 – € 16.320

50%

8.160

15%  (= € 1.224)

€ 16.320 – € 32.640

25%

12.240

15 % (= € 1.836)

€ 32.640 – € 61.200 

0 %

28.560

15% (= € 4.284)

>  € 61.200

 

 

Géén roerende voorheffing, progressieve  inkomstenbelasting (tussen 25 en 50%)

Wie het maximale bedrag aan auteursrechten int (of € 61.200), betaalt in totaal 12% (= € 7.344) aan roerende voorheffing. De maximale forfaitaire kosten bedragen hier € 12.240 (= 50% van eerste schijf + 25% van tweede schijf).

Wie kan aantonen dat hij méér kosten dan de forfaitaire kosten heeft gemaakt voor het verwerven van de auteursrechtelijke vergoedingen, mag dat uiteraard doen. Maar houd er rekening mee dat als je werkt in het stelsel van 50% ‘auteursrechten’ / 50% ‘baten’, je slechts de helft van je werkelijke kosten bij je gedeelte ‘baten’ kunt inbrengen.

Journalistenloket

Zennestraat 21
1000 Brussel
info@journalistenloket.be
02 777 08 40

Een initiatief van

VVJ-VlaamseVerenigingvanJournalisten-logo

Met steun van

logo-vlaamse-overheid