Sociale bijdragen

De sociaal verzekeringsfondsen hebben een wettelijke informatie- en begeleidingsplicht. Het eerste wat je als zelfstandige moet doen om in orde te zijn met je sociaal statuut, is aansluiten bij een sociaalverzekeringsfonds. Je moet dit onmiddellijk doen bij aanvraag van je ondernemingsnummer. Wie dit niet doet, riskeert een flinke boete.

Je bent vrij om te kiezen bij welk fonds je aansluit. In de praktijk valt die keuze samen met je keuze voor een ondernemersloket.

Je kunt veranderen van sociaalverzekeringsfonds, zij het onder bepaalde voorwaarden. Zo mag je geen schulden meer hebben bij je huidige fonds, en moet je voor de feitelijke overgang telkens wachten tot 1 januari. Tot slot moet je, als je wil veranderen, een bepaalde termijn uitdoen

Aan het sociaalverzekeringsfonds moet je om de drie maanden kwartaalbijdragen betalen. Het sociaalverzekeringsfonds rekent ook beheerskosten aan, afhankelijk van het fonds zo’n 4% van de bijdrage.

De sociale bijdragen worden berekend op het beroepsinkomen van het jaar zelf. Maar zolang dat beroepsinkomen niet bekend is, betaal je een voorlopige bijdrage, die berekend is op je inkomsten van drie jaar eerder. Dit bedrag is niet bindend, je kunt het laten aanpassen.

Het beroepsinkomen van een onvolledig jaar telt mee voor de berekening van de sociale bijdragen. Wie in het tweede, derde of vierde kwartaal start, zal sociale bijdragen betalen op het beroepsinkomen dat hij in dat jaar heeft verdiend, omgerekend op jaarbasis. Als zelfstandige in hoofdberoep wordt de minimumbijdrage berekend op een jaarinkomen van € 13.993,78 en bedraagt deze in 2020 € 739,05.

Voor starters is dat natuurlijk niet mogelijk. Normaal gezien wordt dan een bijdrage van 20,5 procent van uw geschatte netto belastbaar inkomen berekend met een minimum van 739,05 euro per kwartaal. Voor een beginnende zelfstandige kan dat een aanzienlijk bedrag zijn. Daarom kan een startende zelfstandige sinds 1 april 2018 een korting op de sociale bijdragen van de eerste vier kwartalen aanvragen. De beperkende voorwaarde is wel dat u in de 20 kwartalen voorafgaand aan de starterskorting geen enkel kwartaal als zelfstandige in hoofdberoep hebt gewerkt. Wie minder dan 7.226,47 euro per jaar denkt te verdienen, zal per kwartaal slechts 381,66 euro moeten betalen. Als u denkt dat uw inkomen tussen 7.226,47 en 9.329,19 euro zal bedragen, beloopt de voorlopige bijdrage 492,70 euro. Is dat tussen 9.329,19 en 13.993,78 euro, is geen starterskorting meer mogelijk en betaalt u dus 739,05 euro. Bij een inkomen van meer dan 13.993,78 euro betaalt u 20,5 procent op dat inkomen. Het betreft hier een voorlopige bijdrage. Eenmaal de echte inkomsten gekend zijn (1 of 2 jaar later), worden de definitieve berekend. Er volgt dan een regularisatie.

Voorlopige kwartaalbijdragen voor starters (2020)

Hoofdberoep

Bijdrage

Eerste drie kalenderjaren

€ 739,05 of 20,5%

Wie als freelancejournalist auteursrechtelijke vergoedingen ontvangt, betaalt daarop geen sociale bijdragen, want het gaat om roerend inkomen. Hij betaalt dus alleen op het deel van de inkomsten dat als beroepsinkomen geldt, met als minimuminkomen € 13.993,78. Dat betekent ook dat je geen sociale rechten opbouwt met het deel van de inkomsten dat wordt beschouwd als vergoeding in auteursrechten.

Een vennootschap betaalt in 2019 een vennootschapsbijdrage van € 347,50. Is het balanstotaal van de vennootschap groter dan € 700.247,09, dan is de vennootschapsbijdrage € 868. De bijdrage moet worden betaald vóór 1 juli van elk bijdragejaar (of binnen drie maanden na oprichting). Bij laattijdige betaling wordt een verhoging van 1% per maand aangerekend, behalve – onder meer – in geval van overmacht. Alvorens tot gerechtelijke invordering te kunnen overgaan, moeten de sociale verzekeringsfondsen per aangetekende brief een herinnering tot betaling sturen, met vermelding van het bedrag. Alle kosten vallen ten laste van de vennootschap.

Vrijstelling

Voor veel zelfstandigen is het driemaandelijkse ophoesten van de sociale bijdragen niet makkelijk. Daarom kunnen zelfstandigen die zich ‘in staat van behoefte’ bevinden, volledige of gedeeltelijke vrijstelling aanvragen van sociale bijdragen. De Commissie voor Vrijstelling van Bijdragen gaat na, op basis van de concrete situatie, of de zelfstandige hiervoor in aanmerking komt. Opgelet: alleen wie maar met moeite in zijn normale levensbehoeften kan voorzien, kan een vrijstelling verkrijgen. Het loutere feit dat je denkt dat je veel lasten betaalt of dat je inkomsten lager uitvallen dan je had gehoopt, volstaat dus niet.

Voor deze aanvraag wendt de zelfstandige zich tot zijn sociaal verzekeringsfonds, nooit rechtstreeks tot de Commissie. Je sociaalverzekeringsfonds zal je dossier naar de Commissie doorsturen.

Voor de Commissie moet je rekening houden met een beslissingstermijn van zes tot negen maanden. Je moet ook telkens opnieuw een aanvraag indienen voor bijkomende kwartalen.

De kwartalen waarvoor je vrijstelling hebt verkregen, leveren geen pensioenrechten op. Vrijgestelde kwartalen tellen wel mee voor je ziekteverzekering.

Een vrijstelling krijg je ook voor kwartalen waarin je niet actief was wegens ziekte of ongeval, op voorwaarde dat die erkend zijn als perioden van arbeidsongeschiktheid, dat je geen enkele activiteit meer uitoefende en een aanvraag hebt ingediend bij het sociaalverzekeringsfonds, die door het RSVZ wordt goedgekeurd. Hier behoud je wél je pensioenrechten.

Nog goed om weten…

De betaalde bijdragen zijn fiscaal aftrekbaar.

Een zelfstandige die zijn activiteit stopzet, kan in afwachting van een andere beroepsactiviteit aanspraak maken op een voortgezette verzekering. Dat veronderstelt dat je de sociale bijdragen blijft betalen. In ruil daarvoor behoud je dan ook je rechten in het sociaal statuut der zelfstandigen. Om in aanmerking te komen moet je wel minstens een jaar als zelfstandige hebben gewerkt en je activiteit volledig stopzetten.

De voortgezette verzekering kan maximaal twee jaar duren. Die termijn kan worden verlengd tot zeven jaar als de zelfstandige op die manier de wettelijke pensioenleeftijd bereikt. Aanvragen kan bij het sociaalverzekeringsfonds, binnen de drie kwartalen nadat je je zelfstandige activiteit hebt stopgezet.

Wie journalistiek actief is als zelfstandige in bijberoep, kan zich voor zijn sociale zekerheid beroepen op een belangrijke vrijstelling. De wet bepaalt dat journalisten, perscorrespondenten en iedereen die auteursrechten geniet, niet zijn onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandige wanneer ze dat werk verrichten in bijberoep (artikel 5 van het Koninklijk Besluit nr. 38 van 27 juli 1967). Dat betekent dat ze voor die activiteit geen sociale bijdragen moeten betalen. De keerzijde is dat je ook geen sociale rechten opbouwt.

Het moet wel gaan om journalistiek werk. Daaronder valt ook het werk als regionaal correspondent, recensent, columnschrijver enzovoort. De rechtbank van Antwerpen heeft geoordeeld dat occasioneel lesgeven aan een journalistenschool hiermee kan worden gelijkgesteld. Dat geldt ook voor het modereren van een debat of het interviewen voor een publiek, als dat een afgeleide is van een journalistiek hoofdberoep. Structureel lesgeven (een in het leerplan opgenomen cursus) wordt door het RSVZ evenwel niet erkend als een journalistiek bijberoep. De arbeidsrechtbank van Luik heeft de vrijstelling ook geweigerd aan iemand die af en toe wat redactiewerk verrichtte voor uitgeverij CED Samson, wegens geen journalistiek karakter. Voor dit soort van bijklussen ben je dus wél verzekeringsplichtig, zij het dat je dan wel onder de bijdrageregeling valt van de bijberoepers.

De tweede voorwaarde is dat je al een ander hoofdberoep uitoefent. Concreet moet je als werknemer al minstens een halftijdse job hebben, of als statutair docent minstens 60% van een voltijds uurrooster. De vrijstelling geldt ook voor wie al een andere zelfstandige activiteit uitoefent als hoofdberoep, bijvoorbeeld als advocaat, manager of cafébaas. Ook wie een hiermee gelijkstaand sociaal statuut heeft – met name als loopbaanonderbreker, werkzoekende of (brug)gepensioneerde – kan zich op de vrijstelling beroepen.

De freelancejournalist die nog geen sociaal statuut heeft dat minstens gelijk is aan dat van de zelfstandigen, is wel verzekeringsplichtig.

Voor kunstenaars bestaat een interessant ‘statuut’, waar ook freelancejournalisten baat bij zouden kunnen hebben. ‘Statuut’ is een groot woord, omdat het eigenlijk geen apart sociaal statuut is. Kunstenaars zijn immers gewoon werknemer of zelfstandige. Wel worden kunstenaars voor de toepassing van de sociale zekerheid (bijdragen en rechten) vermoed werknemer te zijn. De artiest kan daarbij wel uitdrukkelijk kiezen om onder het sociaal statuut van zelfstandige te vallen, indien hij aan welbepaalde voorwaarden voldoet.

Met ‘kunstenaars’ worden personen bedoeld die zich wijden aan “de creatie en/of interpretatie van artistieke oeuvres in de audiovisuele en de beeldende kunsten, in de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater en de choreografie”. Freelancejournalisten worden daar niét onder verstaan.

Een speciale commissie, de Commissie Kunstenaars, voorgezeten door een magistraat en verder bestaande uit ambtenaren van de RSZ (werknemers) en de RSVZ (zelfstandigen), kan een ‘verklaring van zelfstandige activiteiten’ uitreiken wanneer de artiest daarom vraagt.

Info via cultuurloket

Journalistenloket

Zennestraat 21
1000 Brussel
info@journalistenloket.be
02 777 08 40

Een initiatief van

VVJ-VlaamseVerenigingvanJournalisten-logo

Met steun van

logo-vlaamse-overheid