De persvrijheid en haar beperkingen

Persvrijheid

De pers is vrij, journalistiek is een vrije activiteit. Dat is wel degelijk het uitgangspunt in onze democratische samenleving.

Het principe is in zowel het recht als de eigen beroepsethiek verankerd. Terwijl het recht uitgaat van de overheid, worden de beroepsethische regels uitgeschreven door de eigen journalistieke beroepsgroep.

 

Recht

Grondwet, artikel 19:  De vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, [is] gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.

Grondwet, artikel 25:  De drukpers is vrij; de censuur kan nooit worden ingevoerd; geen borgstelling kan worden geëist van de schrijvers, uitgevers of drukkers. Wanneer de schrijver bekend is en zijn woonplaats in België heeft, kan de uitgever, de drukker of de verspreider niet worden vervolgd.

Foto: Didier Lebrun © Photonews
Foto: Didier Lebrun
© Photonews

De zinsnede ‘de censuur kan nooit worden ingevoerd’ slaat op overheidscensuur. De overheid – het weze de politieke, bestuurlijke of gerechtelijke macht – kan met andere woorden nooit vooraf verhinderen dat nieuwsmedia informatie verspreiden.  Dat belet niet dat ze communicatie die onwettig blijkt te zijn, achteraf sanctioneert. Meer hierover in het hoofdstuk over kort gedingen tegen de pers.

De laatste zinsnede betreft de zogenaamde getrapte aansprakelijkheid in persaangelegenheden. Het komt erop neer dat in principe de journalist rechtstreeks tot de orde zal worden geroepen voor wat fout gaat. Pas wanneer hij niet bekend is of niet in België woont,  kan achtereenvolgens zijn uitgever, drukker of verdeler aansprakelijk worden gesteld. Dat wijkt af van het gewone regime voor beroepsfouten. Een gewone werknemer is immers niet persoonlijk aansprakelijk voor (normale) beroepsfouten, wel de onderneming waarvoor hij werkt. De filosofie achter de persoonlijke aansprakelijkheid van de journalist is interne censuur in een mediabedrijf tegen te gaan. Aangezien de uitgever zich geen zorgen moet maken, kan hij zijn journalisten vrij laten werken. Toch stelt moderne rechtspraak meer en meer ook hoofdredacties en zelfs uitgevers aansprakelijk voor journalistieke fouten, althans wanneer het duidelijk is dat zij zelf ook een deel van de verantwoordelijkheid dragen.

Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 10:

  1. Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.
  2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien en die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van ‘s lands veiligheid, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

In de schoot van de Raad van Europa is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) bevoegd voor de invulling van deze bepalingen. De arresten van het EHRM zijn ook richtinggevend voor de nationale overheden, het weze politieke, het weze gerechtelijke. Het EHRM velde tot dus ver een honderdtal arresten die min of meer rechtstreeks te maken hebben met de vrijheid van informatie zoals voorzien in artikel 10 EVRM.

 

Code van de Raad voor de Journalistiek 

Beginselen

Foto: Koen Blanckaert © Photonews
Foto: Koen Blanckaert
© Photonews

Het recht op informatie en vrije meningsuiting is een fundamenteel mensenrecht en een essentiële voorwaarde voor een democratische samenleving. De pers heeft het recht en de plicht om het publiek te informeren over zaken van maatschappelijk belang. Het recht van het publiek om de feiten en de opinies te kennen bepaalt de journalistieke vrijheid en verantwoordelijkheid. De verantwoordelijkheid van de journalist tegenover het publiek veronderstelt een maximale vrijheid en heeft voorrang op zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn werkgever en die tegenover de overheid.

De journalist legt zich daarbij normen op, die volgen uit het respect voor andere fundamentele mensenrechten. Die normen vloeien voort uit zijn plicht om (I) waarheidsgetrouw te berichten, (II) onafhankelijk informatie te garen en te verstrekken, (III) fair op te treden en (IV) respect te betonen voor het privéleven en de menselijke waardigheid.

De journalist kan van sommige bepalingen van deze code afwijken als een voldoende gewichtig maatschappelijk belang dat vereist en de informatie niet op een andere manier kan gebracht worden. De bepalingen waarop deze afwijking van toepassing is, worden hierna aangeduid met (*).

Een aantal bepalingen van deze code worden aangevuld met concrete richtlijnen, die als bijlage bij de code worden gevoegd. Deze bepalingen worden hierna aangeduid met (►).

 

Beperkingen

Uit de hoger vermelde bepalingen blijkt al dat zowel het recht als de beroepsethiek de persvrijheid niet als absoluut beschouwt, maar ze wel degelijk vatbaar vindt voor beperkingen.

Die beperkingen vinden we terug in beide sferen, zodat een journalist moet rekening houden met twee soorten van normen:

  • juridische normen: het recht, en meer bepaald het mediarecht
  • beroepsethische normen: de journalistieke deontologie

Belangrijk is dus dat ook de mediasector zelf beroepsethische beperkingen aanvaardt op de persvrijheid. Geen vrijheid zonder verantwoordelijkheid.

In de praktijk zal het vooral belangrijk zijn om de beperkingen op de persvrijheid goed te kennen. Alles wat daar niet onder valt, is – gelet op het uitgangspunt van de persvrijheid – immers toegelaten.

Inhoudelijk gezien lopen de beperkingen in het recht en de journalistieke plichtenleer voor een groot deel gelijk. Beide beschouwen de persvrijheid als het uitgangspunt, dat weliswaar in balans moet worden gelegd met andere essentiële waarden, zoals de privacy of bepaalde algemene belangen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat er tussen de rechtspraak en de beroepsethische casuïstiek een wisselwerking bestaat. Beiden verwijzen overigens wel eens uitdrukkelijk naar elkaar, ook al zijn ze daartoe formeel niet verplicht.

Toch zijn er ook verschillen. Zo zal de overheid (wetgever en justitie) al eens iets meer belang hechten aan discretie, bijvoorbeeld bij politieke onderhandelingen of een lopend strafonderzoek. Voor journalisten is het juist belangrijk dat ze snel en tijdig ook daarover verslag kunnen uitbrengen aan hun publiek. Dat levert dan al eens schermutselingen op: terwijl de overheid er alles aan doet om een lek op te sporen, zal de journalist in principe zijn bron geheim houden (en desnoods zelfs een veroordeling riskeren hierbij…). Justitie, maar ook burgers, zullen ook meer dan eens een strengere invulling geven aan de vereisten van privacy of het vermoeden van onschuld, zij het dat deze concepten wel degelijk ook in de journalistieke codes terug te vinden zijn.

 

Terug naar Journalistieke spelregels