Inkomstenbelasting

Zoals elke werkende mens betaalt de freelance journalist jaarlijks zijn inkomstenbelasting. Daar gaat de invulling van een belastingaangifte aan vooraf. In het geval van de freelancer is dat het vak XIX ‘Baten van vrije beroepen’ in deel 2 van de belastingbrief, en/of het vak VII ‘Inkomsten van kapitalen en roerende goederen’, in deel 1 van de belastingbrief, bij de letter D (inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten, naburige rechten en wettelijke en verplichte licenties).

Inkomsten

De aan te geven beroepsinkomsten zijn deze die reëel ontvangen zijn in de belastbare periode. Een ereloonnota die in 2016 is uitgeschreven, maar in dat jaar nog niet betaald, moet dus bij het invullen van de aangifte in 2017 nog niet worden aangegeven.

Het is belangrijk dat je al je beroepsinkomsten aan de fiscus opgeeft, ook eventuele bijverdiensten zoals honoraria van een occasionele opdrachtgever of vergoedingen die je ontvangt voor lesgeven. De verleiding om die bijverdiensten als ‘diverse inkomsten’ aan te geven, is – wegens het 33 procenttarief dat hiervoor geldt – groot. Maar de fiscus beschouwt ontvangsten die in verband kunnen worden gebracht met de hoofdactiviteit heel snel als beroepsinkomsten, die dus met het hoofdinkomen moeten worden gecumuleerd.

Inkomsten uit auteursrechten

Een uitzondering hierop zijn de ontvangen auteursrechten, die sinds een wetswijziging van 2008 als roerende inkomsten worden beschouwd en tegen een lager tarief (15%) worden belast. In principe houdt de schuldenaar van de auteursrechten de verschuldigde belasting aan de bron in (en stort die door naar de overheid). Die 15% roerende voorheffing gebeurt bovendien op een bedrag waarvan eerst een forfaitair onkostenpercentage is afgetrokken, zodat je in de praktijk minder dan 15% betaalt.

Prijzen en subsidies die journalisten in de wacht slepen, worden wél afzonderlijk belast. Een gedeelte is zelfs vrijgesteld, voor het saldo geldt een belasting van 16,5 %. Surf voor meer informatie naar de website van het Kunstenloket. 

Kosten

Je honoraria als freelancejournalist moeten worden gezien als omzet. Nog voor er een belasting op geheven wordt, kunnen vanzelfsprekend eerst alle beroepskosten worden afgetrokken.

Het gaat dan uiteraard wel om kosten die je als freelancer zélf draagt. Kosten die de uitgever terugbetaalt, zijn ofwel niet in rekening te brengen, ofwel in mindering te brengen van de verantwoorde kosten.

Je kunt kiezen voor twee mogelijkheden: een forfaitaire aftrek van kosten of een aftrek van de werkelijke kosten.

Voor aanslagjaar 2017 (inkomsten 2016) is dit:

 

INKOMSTENSCHIJF AFTREK
< € 5.760                                                 28,70% (€ 1.653)
€ 5.760 tot € 11.440 10%  (€ 568)
€ 11.440 tot € 19.040 5% (€ 380)
€ 19.040 tot € 65.000                                           3% (€ 1.379)
Totaal maximum aftrekbaar                               € 3.980

Voor bezoldiging van bedrijfsleiders geldt een forfaitaire aftrek van 3%, met een maximum van € 2.390. 

Voor aanslagjaar 2016 (inkomsten 2015) was dit:

INKOMSTENSCHIJF AFTREK
< € 5.730 28,70% (€ 1644,51)
€ 5.730 tot € 11.380                10%  (€ 565)
€ 11.380 tot € 18.940    5% (€ 378)
€ 18.940 tot € 64.690                                           3% (1372,49)
Totaal maximum aftrekbaar                           € 3.960

Voor bezoldiging van bedrijfsleiders gold een forfaitaire aftrek van 3%, met een maximum van € 2.380.

Vooral loontrekkenden kiezen voor het forfaitaire aftreksysteem. Maar zij kunnen net als zelfstandigen opteren voor de aftrek van de werkelijke kosten.

Werkelijke aftrek beroepskosten

Voor zelfstandigen is het stelsel van aftrek van werkelijke kosten interessanter .

Voor het aftrekken van de werkelijke beroepskosten moet je werken met kosten die nodig of nuttig zijn voor het verkrijgen of behouden van beroepsinkomsten (zie kader). De kosten moeten dus niet per se nodig zijn, wel – vanuit de beroepsuitoefening gezien – nuttig. Voorzichtigheid is hoe dan ook geboden; de verwerping door de fiscus van bepaalde beroepskosten kan financieel nadelige effecten hebben. Toch mag de fiscus niet oordelen over de opportuniteit van uitgaven die je als freelancer hebt gedaan.

De afgetrokken werkelijke beroepskosten moeten worden opgenomen in een bijlage bij de belastingaangifte. Let erop dat je de echtheid van de ingebrachte kosten kunt aantonen met bewijskrachtige stukken. Vandaar: vraag altijd documenten, laat die uitdrukkelijk vermelden waarop ze slaan, en hou ze goed bij. Vermeld bijvoorbeeld op de ommezijde van een restaurantbonnetje meteen op welke wijze die uitgave heeft bijgedragen tot je beroepsactiviteit. Of betaal met een kredietkaart. Slechts heel uitzonderlijk zal de fiscus beroepskosten aanvaarden die kunnen worden ‘vermoed’.

Beroepskosten: enkele suggesties

Gebouwen of lokalen

  • huur en huurlasten (maar kijk wel in je huurcontract of je je huurpand wel voor beroepsdoeleinden mag gebruiken: de eigenaar ervan wordt dan namelijk zwaarder belast op zijn onroerend goed);
  • intresten op leningen en afschrijfkosten (indien het gebouw je eigendom is);
  • energie- en onderhoudskosten.

Bij panden met een gecombineerd professioneel en privaat gebruik, kun je de kosten van het beroepsgedeelte aftrekken. Met de fiscus maak je vooraf een afspraak welk percentage van het hele gebouw als beroepsgedeelte geldt. Dat percentage pas je dan toe op al je kosten die verbonden zijn aan het gebouw.

Kantoorbenodigdheden

  • pc;
  • telefoon;
  • gsm of smartphone;
  • postzegels;
  • onderhoud en herstelling materiaal;
  • drukwerk;
  • fotokopieën;
  • documentatie;
  • klein materiaal;

Vaak dienen deze zaken voor gemengd professioneel/privaat gebruik, en dat ontgaat de belastingcontroleurs niet. Ook hierover maak je een afspraak met de fiscus.

Woon-werkverkeer (ook voor zelfstandigen) moet forfaitair worden ingebracht tegen € 0,15 per kilometer. Daarnaast kunnen puur beroepsmatige verplaatsingen worden verrekend tegen 75% van het totale bedrag.

Financieringslasten, voor beroepsmatig gebruikte zaken zoals auto en pc zijn altijd beperkt tot het beroepsmatige gedeelte ervan. Voor dat gedeelte zijn ze wel volledig aftrekbaar.

Afschrijvingen, dat zijn geraamde jaarlijkse waardeverminderingen van eigen activa. De fiscus hanteert daarvoor meestal min of meer vaste termijnen voor: een pc schrijf je bijvoorbeeld af op drie jaar, een auto op vijf jaar.

Abonnementen. Abonnementen op kranten, tijdschriften en andere publicaties, alsook aansluitingen voor tv of internet zijn aftrekbaar voor zover er een verband is met de beroepsactiviteit, en dat is bij journalisten toch wel het geval. Niettemin oppassen voor overdrijving: ook hier geldt dat je overleg pleegt met je belastingcontroleur.

Kosten voor vorming, bijscholing, studiedagen, colloquia, en dergelijke.

Restaurant- en receptiekosten. Sinds inkomstenjaar 2005 zijn die voor 69 procent aftrekbaar, zowel voor kosten die in het buitenland als in het binnenland zijn gemaakt.

Representatiekosten (diners, geschenken, telegrammen).

Reizen. Maak voor elke reportage in het buitenland een omslag met alle gemaakte kosten voor reis, verblijf en dies meer.

Belastingen. Voor niet-btw-plichtigen: de niet-verrekenbare btw (CO²-gerelateerd percentage aftrekbaar voor auto’s, ook voor de belasting op inverkeerstelling). Verder: niet-inkomstenbelastingen zoals provincie- en gemeentebelastingen, verkeersbelastingen, …

Sociale bijdragen en premies. Het gaat om de bijdragen aan de sociale verzekeringskas, ook bijdragen voor vrije en aanvullende sociale verzekeringen (bij voorbeeld het VAPZ), en verder alle premies betaald voor om het even welke verzekering in verband met het beroep.

Kosten voor boekhouding.

Lidgeld AVBB/VVJ en eventueel andere beroepsverenigingen.

Commissielonen: mits aantonen dat zoiets gebruikelijk is en niet overdreven.

 

Meer info

 

Terug naar  ‘Fiscaal statuut algemeen’

Terug naar ‘Fiscaal statuut van de freelancer’