Zoals elke werkende mens betaalt de freelancejournalist jaarlijks inkomstenbelasting aan de Staat. Daar gaat uiteraard een belastingaangifte aan vooraf. In het geval van de freelancer zijn de meest relevante vakken:

– vak XIX ‘Baten van vrije beroepen’ in deel 2 van de belastingbrief, of/en

– vak VII ‘Inkomsten van kapitalen en roerende goederen’, bij de letter D (inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten, naburige rechten en wettelijke en verplichte licenties) in deel 1 van de belastingbrief.

Inkomsten

De aan te geven beroepsinkomsten zijn deze die reëel ontvangen zijn in de belastbare periode. Een ereloonnota die in 2018 is uitgeschreven, maar in dat jaar nog niet betaald, moet dus bij het invullen van de aangifte in 2019 nog niet worden aangegeven.

Het is belangrijk dat je al je beroepsinkomsten aan de fiscus doorgeeft, ook die van occasionele opdrachten. De verleiding om die bijverdiensten als ‘diverse inkomsten’ (in deel 2 van de belastingaangifte) aan te geven, is groot wegens het 33 %-tarief dat hiervoor geldt. Maar de fiscus beschouwt ontvangsten die in verband kunnen worden gebracht met de hoofdactiviteit al heel snel als beroepsinkomsten, die dus bij het hoofdinkomen moeten worden geteld en aan de gewone belastingaanslagvoet zullen worden belast.

Wat niét als gewone beroepsinkomsten worden beschouwd, zijn de auteursrechtelijke vergoedingen die men ontvangt. Deze worden sinds 2008 als roerende inkomsten beschouwd en tegen een lager tarief (van in principe 15 %) belast. In principe houdt de schuldenaar van de auteursrechten de verschuldigde belasting aan de bron in en stort die door naar de overheid. Dit is voor de uitgever een wettelijke plicht. De 15 % roerende voorheffing gebeurt bovendien op een bedrag waarvan eerst een forfaitair onkostenpercentage is afgetrokken, zodat je in de praktijk minder dan 15 % betaalt.

Prijzen en subsidies die journalisten in de wacht slepen, worden eveneens afzonderlijk belast. Een gedeelte is zelfs vrijgesteld; voor het saldo geldt een belasting van 16,5 %.

beroepsKosten

Je honoraria als freelancejournalist moeten worden gezien als omzet. Nog voor er een belasting op geheven wordt, kunnen vanzelfsprekend eerst alle beroepskosten worden afgetrokken.

Het gaat dan uiteraard wel om kosten die je als freelancer zélf draagt. Kosten die de uitgever terugbetaalt, zijn ofwel niet in rekening te brengen, ofwel in mindering te brengen van de zelf gemaakte kosten.

Je kunt kiezen voor twee mogelijkheden: een forfaitaire aftrek van kosten of een aftrek van de werkelijke kosten.

Forfaitaire aftrek beroepskosten voor ‘baten’

Aanslagjaar 2019 / inkomsten 2018

INKOMSTENSCHIJF AFTREK
< € 6.000 28,70% (€ 1.722)
€ 6.000 tot € 11.910 10% (€ 591)
€ 11.910 tot € 19.830 5% (€ 396)
€ 19.830 tot € 67.863,16 3% (€ 1.440,99)
> € 67.863,16 0%

Maximumaftrek: € 4.149,99.

Voor bezoldiging van bedrijfsleiders geldt een forfaitaire beroepskostenaftrek van 3% voor de inkomstenschijf tot € 82.999,83, met een maximum van € 2.490.

In de praktijk kiezen vooral loontrekkenden voor dit forfaitaire aftreksysteem.

Werkelijke aftrek beroepskosten

Voor zelfstandigen is het stelsel van aftrek van werkelijke kosten interessanter.

Voor het aftrekken van de werkelijke beroepskosten moet je werken met kosten die nodig of nuttig zijn voor het verkrijgen of behouden van beroepsinkomsten. De kosten moeten dus niet per se ‘nodig’ zijn, wel – vanuit de beroepsuitoefening gezien – ‘nuttig’. Voorzichtigheid is hoe dan ook geboden: als de fiscus bepaalde beroepskosten verwerpt, zal dat een directe weerslag hebben op het financiële eindresultaat van je belastingen. Toch mag de fiscus niet oordelen over de opportuniteit van uitgaven die je als freelancer hebt gedaan.

De afgetrokken werkelijke beroepskosten moeten worden opgenomen in een bijlage bij de belastingaangifte. Let erop dat je de echtheid van de ingebrachte kosten kunt aantonen met bewijskrachtige stukken. Vandaar: vraag altijd documenten, laat die uitdrukkelijk vermelden waarop ze slaan, en hou ze goed bij. Vermeld bijvoorbeeld op de ommezijde van een restaurantbonnetje meteen op welke wijze die uitgave heeft bijgedragen tot je beroepsactiviteit. Of betaal met een kredietkaart. Slechts heel uitzonderlijk zal de fiscus beroepskosten aanvaarden die kunnen worden ‘vermoed’.

Beroepskosten: enkele suggesties

  • Gebouwen of lokalen. Komen onder meer in aanmerking voor aftrek: huur en huurlasten. Check hierbij wel in je huurcontract of je je huurpand voor beroepsdoeleinden mag gebruiken, de eigenaar ervan wordt dan namelijk zwaarder belast op zijn onroerend goed. Voor zover een gebouw je eigendom is, zijn interesten op leningen en afschrijvingen aftrekbaar. Ook energie- en onderhoudskosten komen in aanmerking. Bij panden met een gecombineerd professioneel en privaat gebruik, kun je de kosten van het beroepsgedeelte aftrekken. Met de fiscus maak je vooraf een afspraak welk percentage van het hele gebouw als beroepsgedeelte geldt. Dat percentage pas je dan toe op al je kosten die verbonden zijn aan het gebouw.
  • Denk aan pc, tablet, smartphone, telefoon, postzegels, onderhoud en herstelling materiaal, drukwerk, fotokopieën, documentatie, klein materiaal… Vaak dienen deze zaken voor gemengd professioneel/privaat gebruik, en dat ontgaat de belastingcontroleurs niet. Ook hierover maak je een afspraak met de fiscus.
  • Ook je bedrijfswagen is gedeeltelijk aftrekbaar. Bij eenmanszaken is dat voor 75%, bij vennootschappen tussen de 50 en de 100% afhankelijk van de CO2-uitstoot. De elektrische wagen is een buitenbeentje: die mag je voor liefst 120% aftrekken. Verplaatsingen van en naar het werk zijn dan weer forfaitair aftrekbaar aan 0,15 euro per kilometer.
  • Financieringslasten voor beroepsmatig gebruikte zaken zoals auto en pc zijn altijd beperkt tot het beroepsmatige gedeelte ervan. Voor dat gedeelte zijn ze dan wel volledig aftrekbaar.
  • Afschrijvingen, dat zijn geraamde jaarlijkse waardeverminderingen van eigen activa. De fiscus hanteert hiervoor meestal min of meer vaste termijnen: een pc schrijf je bijvoorbeeld af op drie jaar, een auto op vijf.
  • Abonnementen op kranten, tijdschriften en andere publicaties, alsook aansluitingen voor tv of internet zijn aftrekbaar voor zover er een verband is met de beroepsactiviteit, en dat is bij journalisten toch echt wel het geval. Niettemin oppassen voor overdrijving: ook hier geldt dat je best overleg pleegt met je belastingcontroleur.
  • Kosten voor vorming, bijscholing, studiedagen, colloquia, en dergelijke.
  • Restaurant- en receptiekosten. Die zijn voor 69 % aftrekbaar, de kosten kunnen zowel in het binnen- als in het buitenland gemaakt zijn.
  • Representatiekosten: diners, geschenken.
  • Maak voor elke reportage in het buitenland een enveloppe met alle gemaakte kosten voor reis, verblijf en dies meer.
  • Voor niet-btw-plichtigen: de niet-verrekenbare btw. Verder: niet-inkomstenbelastingen zoals provincie- en gemeentebelastingen op je onderneming.
  • Sociale bijdragen en premies. Het gaat om de bijdragen aan de sociale verzekeringskas, ook bijdragen voor vrije en aanvullende sociale verzekeringen (bij voorbeeld het VAPZ), en verder alle premies betaald voor om het even welke verzekering in verband met het beroep (zoals de groepsverzekering voor beroepsaansprakelijkheid van de VVJ).
  • Kosten voor boekhouding. 
  • Lidgeld VVJ/AVBB en eventueel andere beroepsverenigingen.
  • Premie verzekering beroepsaansprakelijkheid
  • Commissielonen: mits aantonen dat zoiets gebruikelijk is en niet overdreven.

Tarief belastingen

We gaan voorbij aan de diverse stappen in de berekening van het belastbare inkomen (met aftrekken voor personen ten laste, voor hypothecaire leningen en nog veel meer), en beperken ons hier tot de tarieven op de verschillende inkomensschijven.

Aanslagjaar 2019, inkomsten 2018

BELASTBAAR INKOMEN BASISBELASTING
< € 12.990 25%
€ 12.990 tot € 22.290 40%
€ 22.290 tot € 39.660 45%
> € 39.660 50%

Let wel: daar kunnen nog aanvullende gemeentebelastingen (de zogenaamde opcentiemen) bijkomen. Die variëren van nul tot negen opcentiemen. De gemeenten Knokke, De Panne en Koksijde hanteren een nultarief.

Voorafbetalingen

Zelfstandigen doen er best aan voorafbetalingen op de personenbelasting te doen. Die vinden plaats voor 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december.

In principe ben je telkens ¼ van de totaal verschuldigde personenbelasting verschuldigd. Doe je als zelfstandige geen voorafbetaling, dan wordt je belasting vermeerderd.

De banken bieden geautomatiseerde systemen aan voor de voorafbetalingen, inclusief de mogelijkheid tot lening als dit nodig zou zijn.

Zelfstandigen die zich voor het eerst vestigen als zelfstandige in hoofdberoep moeten tijdens de eerste drie jaar geen belasting vooraf betalen. Wie dat toch doet, krijgt een bonificatie.

 

Meer info

  • Info over voorafbetalingen: https://financien.belgium.be/nl/ondernemingen/vennootschapsbelasting/voorafbetalingen
  • Goede publicaties zijn de Belastinggids van Test-Aankoop en de Belasting- & Beleggingsgids van uitgeverij Pelckmans.
  • Voor gepersonaliseerde informatie kun je ook terecht bij een boekhouder.

 

Terug naar fiscaal statuut