Zoals elke werkende mens betaalt de freelancejournalist jaarlijks zijn inkomstenbelasting aan de Staat. Daar gaat uiteraard de invulling van een belastingaangifte aan vooraf. In het geval van de freelancer is dat het vak XIX ‘Baten van vrije beroepen’ in deel 2 van de belastingbrief, en/of het vak VII ‘Inkomsten van kapitalen en roerende goederen’, bij de letter D (inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten, naburige rechten en wettelijke en verplichte licenties) in deel 1 van de belastingbrief.

Inkomsten

De aan te geven beroepsinkomsten zijn deze die reëel ontvangen zijn in de belastbare periode. Een ereloonnota die in 2017 is uitgeschreven, maar in dat jaar nog niet betaald, moet dus bij het invullen van de aangifte in 2018 nog niet worden aangegeven.

Het is belangrijk dat je al je beroepsinkomsten aan de fiscus opgeeft, ook eventuele bijverdiensten zoals honoraria van een occasionele opdrachtgever of vergoedingen die je ontvangt voor lesgeven. De verleiding om die bijverdiensten als ‘diverse inkomsten’ (deel 2 belastingaangifte) aan te geven, is groot wegens het 33 procenttarief dat hiervoor geldt. Maar de fiscus beschouwt ontvangsten die in verband kunnen worden gebracht met de hoofdactiviteit al heel snel als beroepsinkomsten, die dus bij het hoofdinkomen moeten worden geteld.

Een uitzondering hierop zijn de ontvangen auteursrechtelijke vergoedingen, die sinds een wetswijziging van 2008 als roerende inkomsten worden beschouwd en tegen een lager tarief (van in principe 15%) worden belast. In principe houdt de schuldenaar van de auteursrechten de verschuldigde belasting aan de bron in en stort die door naar de overheid. Dit is voor de uitgever een wettelijke plicht. De 15% roerende voorheffing gebeurt bovendien op een bedrag waarvan eerst een forfaitair onkostenpercentage is afgetrokken, zodat je in de praktijk minder dan 15% betaalt.

Prijzen en subsidies die journalisten in de wacht slepen, worden wél afzonderlijk belast. Een gedeelte is zelfs vrijgesteld, voor het saldo geldt een belasting van 16,5%. Voor meer informatie hierover: http://www.kunstenloket.be.

Kosten

Je honoraria als freelancejournalist moeten worden gezien als omzet. Nog voor er een belasting op geheven wordt, kunnen vanzelfsprekend eerst alle beroepskosten worden afgetrokken.

Het gaat dan uiteraard wel om kosten die je als freelancer zélf draagt. Kosten die de uitgever terugbetaalt, zijn ofwel niet in rekening te brengen, ofwel in mindering te brengen van de verantwoorde kosten.

Je kunt kiezen voor twee mogelijkheden: een forfaitaire aftrek van kosten of een aftrek van de werkelijke kosten.

 

Forfaitaire aftrek beroepskosten voor ‘baten’

Aanslagjaar 2018 / inkomsten 2017

INKOMSTENSCHIJF AFTREK
< € 5.870 28,70% (€ 1.684,69)
€ 5.870 tot € 11.670 10% (€ 580)
€ 11.670 tot € 19.420 5% (€ 387,50)
€ 19.420 tot € 66.346,84 3% (€ 1.407,81)
Totaal maximum aftrekbaar 0% (€ 4.060)

Voor bezoldiging van bedrijfsleiders geldt een forfaitaire beroepskostenaftrek van 3%, met een maximum van € 2.440.

In de praktijk kiezen vooral loontrekkenden voor dit forfaitaire aftreksysteem.

 

Werkelijke aftrek beroepskosten

Voor zelfstandigen is het stelsel van aftrek van werkelijke kosten interessanter.

Voor het aftrekken van de werkelijke beroepskosten moet je werken met kosten die nodig of nuttig zijn voor het verkrijgen of behouden van beroepsinkomsten. De kosten moeten dus niet per se ‘nodig’ zijn, wel – vanuit de beroepsuitoefening gezien – ‘nuttig’. Voorzichtigheid is hoe dan ook geboden: de verwerping door de fiscus van bepaalde beroepskosten kan financieel nadelige effecten hebben. Toch mag de fiscus niet oordelen over de opportuniteit van uitgaven die je als freelancer hebt gedaan.

De afgetrokken werkelijke beroepskosten moeten worden opgenomen in een bijlage bij de belastingaangifte. Let erop dat je de echtheid van de ingebrachte kosten kunt aantonen met bewijskrachtige stukken. Vandaar: vraag altijd documenten, laat die uitdrukkelijk vermelden waarop ze slaan, en hou ze goed bij. Vermeld bijvoorbeeld op de ommezijde van een restaurantbonnetje meteen op welke wijze die uitgave heeft bijgedragen tot je beroepsactiviteit. Of betaal met een kredietkaart. Slechts heel uitzonderlijk zal de fiscus beroepskosten aanvaarden die kunnen worden ‘vermoed’.

Beroepskosten: enkele suggesties

Ø  Gebouwen of lokalen. Komen in aanmerking voor aftrek: huur en huurlasten (maar kijk wel in je huurcontract of je je huurpand voor beroepsdoeleinden mag gebruiken, de eigenaar ervan wordt dan namelijk zwaarder belast op zijn onroerend goed), intresten op leningen en afschrijfkosten (indien het gebouw je eigendom is), energie- en onderhoudskosten. Bij panden met een gecombineerd professioneel en privaat gebruik, kun je de kosten van het beroepsgedeelte aftrekken. Met de fiscus maak je vooraf een afspraak welk percentage van het hele gebouw als beroepsgedeelte geldt. Dat percentage pas je dan toe op al je kosten die verbonden zijn aan het gebouw.

Ø  Kantoorbenodigdheden. Denk aan pc, tablet, smartphone, telefoon, postzegels, onderhoud en herstelling materiaal, drukwerk, fotokopieën, documentatie, klein materiaal… Vaak dienen deze zaken voor gemengd professioneel/privaat gebruik, en dat ontgaat de belastingcontroleurs niet. Ook hierover maak je een afspraak met de fiscus.

Ø  Autokosten. De aftrekbaarheid van autokosten voor eenmanszaken is volledig veranderd in 2018. De oude regeling stelde dat personenwagens fiscaal gezien slechts aftrekbaar zijn voor 75%. In een éénmanszaak maakte het bovendien helemaal niet uit of je met een zwaar vervuilende of elektrische wagen reed. Voor personenwagens aangeschaft sedert 1 januari 2018 zijn deze fiscale spelregels drastisch gewijzigd. Meer info is hier te vinden: https://v-vhp.be/2017/11/23/autokosten-wijzigingen-vanaf-2018-en-2020.

Ø  Financieringslasten voor beroepsmatig gebruikte zaken zoals auto en pc zijn altijd beperkt tot het beroepsmatige gedeelte ervan. Voor dat gedeelte zijn ze wel volledig aftrekbaar.

Ø  Afschrijvingen, dat zijn geraamde jaarlijkse waardeverminderingen van eigen activa. De fiscus hanteert daarvoor meestal min of meer vaste termijnen voor: een pc schrijf je bijvoorbeeld af op drie jaar, een auto op vijf.

Ø  Abonnementen. Abonnementen op kranten, tijdschriften en andere publicaties, alsook aansluitingen voor tv of internet zijn aftrekbaar voor zover er een verband is met de beroepsactiviteit, en dat is bij journalisten toch wel het geval. Niettemin oppassen voor overdrijving: ook hier geldt dat je best overleg pleegt met je belastingcontroleur.

Ø  Kosten voor vorming, bijscholing, studiedagen, colloquia, en dergelijke.

Ø  Restaurant- en receptiekosten. Die zijn voor 69 procent aftrekbaar, zowel voor kosten die in het buitenland als in het binnenland zijn gemaakt.

Ø  Representatiekosten (diners, geschenken).

Ø  Reizen. Maak voor elke reportage in het buitenland een enveloppe met alle gemaakte kosten voor reis, verblijf en dies meer.

Ø  Belastingen. Voor niet-btw-plichtigen: de niet-verrekenbare btw (CO²-gerelateerd percentage aftrekbaar voor auto’s, ook voor de belasting op inverkeerstelling). Verder: niet-inkomstenbelastingen zoals provincie- en gemeentebelastingen op je onderneming.

Ø  Sociale bijdragen en premies. Het gaat om de bijdragen aan de sociale verzekeringskas, ook bijdragen voor vrije en aanvullende sociale verzekeringen (bij voorbeeld het VAPZ), en verder alle premies betaald voor om het even welke verzekering in verband met het beroep.

Ø  Kosten voor boekhouding.

Ø  Lidgeld AVBB/VVJ en eventueel andere beroepsverenigingen.

Ø  Commissielonen: mits aantonen dat zoiets gebruikelijk is en niet overdreven.

Tarief belastingen

We gaan hier voorbij aan de diverse stappen in de berekening van het belastbare inkomen (onder meer de belastingvrije som, de aftrek voor kinderen en andere personen ten laste, alleenstaande ouder, aftrek voor hypothecaire lening enzovoort), en beperken ons tot het weergeven van de tarieven op de verschillende inkomensschijven.

Aanslagjaar 2019, inkomsten 2018

BELASTBAAR INKOMEN BASISBELASTING
< € 12.990 25%
€ 12.990tot € 22.290 40%
€ 22.290 tot € 39.660 45%
> € 39.660 50%

Let wel: daar komen nog aanvullende gemeentebelastingen (de zogenaamde opcentiemen) bij.

Voorafbetalingen

Zelfstandigen zijn verplicht voorafbetalingen op de personenbelasting te doen. Die vinden plaats voor 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december.

In principe ben je telkens ¼ van de totale verschuldigde personenbelasting verschuldigd. Doe je als zelfstandige geen voorafbetaling, dan wordt je belasting vermeerderd.

De banken bieden geautomatiseerde systemen aan voor de voorafbetalingen, inclusief de mogelijkheid tot lening als dit nodig zou zijn.

Zelfstandigen die zich voor het eerst vestigen als zelfstandige in hoofdberoep moeten tijdens de eerste drie jaar geen belasting vooraf betalen (zie hoofdstuk 6). Wie dat wél doet, krijgt een bonificatie.

 

Meer info

 

Terug naar fiscaal statuut