Inkomstenbelasting
Zoals elke werkende mens betaalt de freelancejournalist jaarlijks inkomstenbelasting aan de Staat. Daar gaat uiteraard een belastingaangifte aan vooraf. In het geval van de freelancer zijn de meest relevante vakken:
- vak XIX ‘Baten van vrije beroepen’ in deel 2 van de belastingbrief, of/en
- vak VII ‘Inkomsten van kapitalen en roerende goederen’, bij de letter D (inkomsten uit de cessie of concessie van auteursrechten, naburige rechten en wettelijke en verplichte licenties) in deel 1 van de belastingbrief.
Inkomsten
De aan te geven beroepsinkomsten zijn deze die reëel ontvangen zijn in de belastbare periode. Een ereloonnota die in 2025 is uitgeschreven, maar in dat jaar nog niet betaald, moet dus bij het invullen van de aangifte in 2026 nog niet worden aangegeven.
Het is belangrijk dat je al je beroepsinkomsten aan de fiscus doorgeeft, ook die van occasionele opdrachten. De verleiding om die bijverdiensten als ‘diverse inkomsten’ (in deel 2 van de belastingaangifte) aan te geven, is groot wegens het 33%-tarief dat hiervoor geldt. Maar de fiscus beschouwt ontvangsten die in verband kunnen worden gebracht met de hoofdactiviteit al heel snel als beroepsinkomsten, die dus bij het hoofdinkomen moeten worden geteld en aan de gewone belastingaanslagvoet zullen worden belast.
Wat niét als gewone beroepsinkomsten worden beschouwd, zijn de auteursrechtelijke vergoedingen die men ontvangt. Deze worden sinds 2008 als roerende inkomsten beschouwd en tegen een lager tarief (van in principe 15%) belast. In principe houdt de schuldenaar van de auteursrechten de verschuldigde belasting aan de bron in en stort die door naar de overheid. Dit is voor de uitgever een wettelijke plicht. De 15% roerende voorheffing gebeurt bovendien op een bedrag waarvan eerst een forfaitair onkostenpercentage is afgetrokken, zodat je in de praktijk minder dan 15% betaalt. Dat forfaitair onkostenpercentage staat echter op de helling. Er is een ontwerp van programmawet om dit enkel nog te beperken tot houders van een kunstwerkattest ’gewoon’ of ‘plus’. De wetgeving was bij de update in maart ’26 echter nog niet goedgekeurd. Klik hier voor meer info.
Prijzen die journalisten in de wacht slepen, worden eveneens afzonderlijk belast. Een gedeelte is zelfs vrijgesteld; voor het saldo geldt een belasting van 16,5%.
Een beurs (als in inkomen) dient ook aangegeven te worden in de aangifte. Je kan de codes en bedragen dan overnemen van de fiscale fiche die je zal ontvangen in de loop van 2026 (als het gaat om een beurs die werd verkregen in 2025).
Beroepskosten
Je honoraria als freelancejournalist moeten worden gezien als omzet. Nog voor er een belasting op geheven wordt, kunnen vanzelfsprekend eerst alle beroepskosten worden afgetrokken.
Het gaat dan uiteraard wel om kosten die je als freelancer zélf draagt. Kosten die de uitgever terugbetaalt, zijn ofwel niet in rekening te brengen, ofwel in mindering te brengen van de zelfgemaakte kosten.
Je kunt kiezen voor twee mogelijkheden: een forfaitaire aftrek van kosten of een aftrek van de werkelijke kosten.
a. Forfaitaire aftrek beroepskosten voor ‘baten’
Aanslagjaar 2026 / inkomsten 2025
| INKOMSTENSCHIJF | AFTREK |
| < € 7.540,00 | 28,70% |
| € 7.540,00 tot € 14.970,00 | 10% |
| € 14.970,00 tot € 24.920,00 | 5% |
| € 24.920,00 tot € 85.103,83 | 3% |
| > € 85.103,83 | 0% |
Maximumaftrek: € 5.210.
In de praktijk kiezen vooral loontrekkenden voor dit forfaitaire aftreksysteem.
b. Werkelijke aftrek beroepskosten
Voor zelfstandigen is het stelsel van aftrek van werkelijke kosten interessanter.
Voor het aftrekken van de werkelijke beroepskosten moet je werken met kosten die nodig of nuttig zijn voor het verkrijgen of behouden van beroepsinkomsten. Voorzichtigheid is hoe dan ook geboden: als de fiscus bepaalde beroepskosten verwerpt, zal dat een directe weerslag hebben op het financiële eindresultaat van je belastingen. Toch mag de fiscus niet oordelen over de opportuniteit van uitgaven die je als freelancer hebt gedaan.
De afgetrokken werkelijke beroepskosten moeten worden opgenomen in een bijlage bij de belastingaangifte. Let erop dat je de echtheid van de ingebrachte kosten kunt aantonen met bewijskrachtige stukken. Vandaar: vraag altijd documenten, laat die uitdrukkelijk vermelden waarop ze slaan, en hou ze goed bij. Vermeld bijvoorbeeld op de ommezijde van een restaurantbonnetje meteen op welke wijze die uitgave heeft bijgedragen tot je beroepsactiviteit. Of betaal met een kredietkaart. Slechts heel uitzonderlijk zal de fiscus beroepskosten aanvaarden die kunnen worden ‘vermoed’.
Beroepskosten: enkele suggesties(zie ook de VVJ-belastinggids die elk jaar rond mei uitkomt)
|
Tarief belastingen
We gaan voorbij aan de diverse stappen in de berekening van het belastbare inkomen (met aftrekken voor personen ten laste, voor hypothecaire leningen en nog veel meer), en beperken ons hier tot de tarieven op de verschillende inkomensschijven.
Aanslagjaar 2026, inkomsten 2025
| Belastbaar inkomen | Basisbelasting |
| < € 16.320 | 25% |
| € 16.320 tot € 28.800 | 40% |
| € 28.800 tot € 49.840 | 45% |
| > € 49.840 | 50% |
Let wel: daar kunnen nog aanvullende gemeentebelastingen (de zogenaamde opcentiemen) bijkomen. Die variëren van nul tot negen opcentiemen. De gemeenten Knokke, De Panne en Koksijde hanteren een nultarief.
Voorafbetalingen
Zelfstandigen doen er best aan voorafbetalingen op de personenbelasting te doen. Die vinden plaats voor 10 april, 10 juli, 10 oktober en 20 december (zie hoger). In principe ben je telkens een vierde van de totaal verschuldigde personenbelasting verschuldigd. Doe je als zelfstandige geen voorafbetaling, dan wordt je belasting vermeerderd.
De banken bieden geautomatiseerde systemen aan voor de voorafbetalingen, inclusief de mogelijkheid tot lening als dit nodig zou zijn.
Zelfstandigen die zich voor het eerst vestigen als zelfstandige in hoofdberoep moeten tijdens de eerste drie jaar geen belasting vooraf betalen. Wie dat toch doet, krijgt een bonificatie.
|
Meer info
|
Inkomstenbelasting