Type loopbaan freelancers & eisenplatform

Van de ± 2.600 erkende beroepsjournalisten in Vlaanderen, werken er 3 op de 4 in vaste dienst met arbeidscontract als werknemer bij een mediabedrijf. Het resterende kwart freelancet.

Een kwart van de weddetrekkende beroepsjournalisten werkt voor kranten, nog eens een kwart voor omroepen, 1 op 10 voor magazines en de overigen voor persagentschappen en productiehuizen. Enkele tientallen beroepsjournalisten zijn aan de slag bij nieuwe, digital-only nieuwsmedia. Om ieders belang, zeker bij freelancers, veilig te stellen maakte de VVJ een eisenplatform gericht aan uitgevers, de erkenningscommissie en de overheid.

Arbeidscontract

De arbeidswetgeving, uitgevaardigd door parlement en regering, bevat belangrijke dwingende bepalingen, onder meer inzake loon en werktijd, die even goed van toepassing zijn op de relatie tussen uitgevers en journalisten als op welke andere arbeidsverhouding ook.

Om te weten wat je rechten en plichten zijn als journalist-werknemer bij een mediabedrijf, moet je in de eerste plaats naar je arbeidscontract kijken. Daar staat al veel in, met name over de kernelementen: loon, arbeidstijd en inhoudelijke aspecten.

Een hele reeks bijkomende elementen van de arbeidsverhouding wordt geregeld in bedrijfsakkoorden (cao’s). De Vlaamse mediagroepen hebben sinds 1998 de gewoonte om afzonderlijk de loon- en arbeidsverhoudingen te regelen. Zo beschikt zowel Mediahuis als DPG Media op dit ogenblik over een eigen cao voor de werknemers (onder wie de journalisten) van de eigen groep.

Ook op sectoraal niveau zijn er regelingen uitgewerkt, die gelden als minima.

  • Voor de magazinejournalisten is er een cao die de AVBB (Belgische journalistenbond) en WEMEDIA (koepel van uitgevers van de algemene informatiemagazines) samen hebben ondertekend. Die cao bevat onder meer enkele minimumregelingen met betrekking tot loon, werktijd en vakantieregeling.
  • Tot 1998 bestond een gelijksoortige nationale cao voor de dagbladjournalisten. Momenteel bestaat er voor de Franstalige krantensector wel nog een sectorale cao (afgesloten tussen de journalistenbond AJP en de uitgeverskoepel LA PRESSE.be.
  • Voor de kranten en magazines geldt aanvullend wat er in het paritair comité (overlegorgaan tussen werkgevers en werknemers) 200 – vroeger 218 – wordt afgesproken over loon- en arbeidsvoorwaarden. (Drukkers van kranten en magazines hebben een eigen PC: PC 130.)
  • Voor de omroepjournalisten en die van audiovisuele productiehuizen, is er een specifiek nationaal paritair comité opgericht, PC 227, dat via diverse cao’s de arbeidsverhoudingen in de AV sector regelt. Die cao’s bevatten ook minimumregelingen (zoals minimumlonen) voor de betrokken journalisten.
  • Voor de regionale omroepen, die als social profitorganisaties worden beschouwd, is een ander PC bevoegd: PC 329 voor de socio-culturele sector.
  • Voor internet en de digitale nieuwsmedia tot slot is, zoals voor radio en televisie, PC 227 bevoegd.

Een enkel PC voor de hele mediasector zou geen slechte zaak zijn. De convergentie en integratie in de sector is een feit, en zo kunnen best meteen ook de loon- en andere werkvoorwaarden van iedereen die er werkt op elkaar worden afgestemd.

Je kunt als werknemer bij een werkgever aan de slag gaan met een tijdelijk contract, een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. Dat kan zowel een voltijds als een deeltijds contract zijn. Je bent dan wel in loondienst, maar de eindduur van je contract is al van tevoren contractueel vastgelegd. Voor de rest gelden de regels zoals voor werknemers in het algemeen.

Belangrijk is dat in dit geval er maximaal 4 opeenvolgende contracten van bepaalde duur kunnen worden gesloten, van telkens minstens 3 maanden, waarbij de totale maximumduur 2 jaar beloopt. Sleept de situatie langer aan, dan wordt de arbeidsrelatie van in het begin verondersteld een arbeidscontract van onbepaalde duur te zijn.

Uitzendarbeid = interimcontract

Een andere mogelijkheid is uitzendarbeid. Dit is wel degelijk een soort van arbeidsovereenkomst, maar die – zoals bij freelancen – betrekking heeft op een specifieke prestatie.

Uitzendarbeid is wettelijk mogelijk in vier gevallen:

  • tijdelijke vervanging
  • vermeerdering van werk
  • uitzonderlijk werk
  • instroom (gedurende maximum zes maanden kan een bedrijf iemand via een uitzendkantoor inzetten, met het oog op een vaste aanwerving)

Soms neemt interimarbeid de vorm aan van opeenvolgende dagcontracten, maar dat kan alleen nog als de werkgever de behoefte aan flexibiliteit kan bewijzen. Ook moeten dagcontracten sinds 2014 worden getekend voor de aanvang van het contract.

In principe ga je als interimjournalist eerst samenzitten met een opdrachtgever (hoofdredacteur, personeelsdirecteur van het mediabedrijf). Met hem bereik je overeenstemming over het uit te voeren werk, de werktijden, de vergoeding en dies meer.

Voor de duur van het project treed je dan officieel in loondienst bij een uitzendkantoor, dat als je formele werkgever fungeert. Het uitzendkantoor wordt op administratief vlak de schakel tussen jou en de opdrachtgever. Het berekent, op basis van het tussen de opdrachtgever en de journalist afgesproken honorarium, een brutoloon. Daarin verrekent het ook de sociale bijdragen (+/- 35% patronale en 13,07% ten laste van de werknemer), fiscale voorheffingen, inningen voor vakantiegeld en een eigen vergoeding voor het administratieve werk. Het totale bedrag wordt dan gefactureerd aan de opdrachtgever. Het uitzendkantoor verricht de betaling van alle sociale en fiscale bijdragen, en betaalt vervolgens het loon uit aan de journalist.

Wie via een uitzendkantoor aan het werk gaat, moet wettelijk minstens evenveel bruto verdienen als een gelijkwaardige journalist in loondienst van de opdrachtgever. En voor de erkende beroepsjournalist moeten ook de bijkomende inhoudingen worden verricht voor het aanvullende journalistenpensioen.

Voor- en nadelen

Uitzendarbeid is minder geschikt voor zelfstandige journalisten die maar af en toe eens een opdracht vervullen voor deze of gene redactie. Maar het kan wel een interessante formule zijn voor journalisten die geregeld langlopende opdrachten aannemen.

De voordelen van interimarbeid; Je moet niet de administratieve, sociale en fiscale papierwinkel van de zelfstandige doorworstelen. En, officieel heb je het statuut van werknemer, wat betekent dat je vast betaald wordt en een degelijke sociale zekerheid opbouwt. Recht op werkloosheidsuitkeringen om te beginnen, en verder recht op uitkeringen ingeval van ziekte, arbeidsongevallen en pensioen.

Een nadeel van interimarbeid is dat ze vrij duur is. Houd er rekening mee dat, na alle afhoudingen, van het bedrag dat je met je opdrachtgever hebt afgesproken er niet veel meer dan één derde netto overblijft. Betaalt de opdrachtgever bijvoorbeeld 150 euro per dag, dan blijft daar netto misschien maar 50 à 60 euro van over.

Diverse uitzendkantoren bieden, via een gespecialiseerde afdeling, hun diensten aan journalisten aan. Overigens kun je je ook altijd bij zo’n kantoor inschrijven wanneer je op zoek bent naar een interim in de journalistiek.

Misbruik

Een probleem met uitzendarbeid is dat er soms misbruik van wordt gemaakt. Niet altijd is er sprake van de wettelijk bepaalde gevallen waarin interimarbeid mogelijk is. Sommige mediahuizen dwingen journalisten al te vaak en ook al te lang in uitzendcontracten in plaats van ze een volwaardige arbeidsovereenkomst te geven.

De VVJ kant zich tegen die praktijk, desnoods ook via een gerechtelijke procedure.

Als de rechtbank effectief misbruik vaststelt, dan wordt de arbeidsrelatie omgezet in een gewone arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur. Dat betekent vaak een serieuze regularisatie voor de voorbije jaren. Zo zal de werknemer bijkomend loon kunnen vorderen, en bij beëindiging van de arbeidsverhouding ook een opzeggingsvergoeding.

Het is moeilijk om algemene uitspraken te doen over de lonen van weddetrekkende journalisten. Toch vallen enkele krachtlijnen te trekken.

Afzonderlijke loonsystemen voor journalisten kunnen worden verantwoord door de bijzondere aard van het werk. Wie journalistieke kwaliteit verwacht, in een steeds complexere maatschappelijke omgeving, moet journalisten daarvoor ook navenant vergoeden. Een andere belangrijke factor zijn de buitengewone werktijden en grote werkdruk. Die verantwoorden niet enkel bijzondere vergoedingsregelingen maar ook specifieke afspraken op het vlak van werktijd, werkdruk en compensatieregelingen.

Categorieën

In diverse cao’s wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende looncategorieën.

  1.           Beginnende journalisten (*)

  2.           Journalisten die autonoom kunnen werken

  3.           Gezichtsbepalende, verantwoordelijke of leidinggevende journalisten

  4.           Hoofdredacteuren (**)

Met het opklimmen naar een hogere categorie, stijgen ook de lonen.
(*) De beginnerscategorie wordt idealiter beperkt in de tijd, tot bijvoorbeeld 2 jaar (wat overeenkomt met de periode die men moet doorlopen om het statuut van beroepsjournalist te verwerven). Nadien schakelt men automatisch over naar categorie 2.
(**) De traditie wil dat hoofdredacteuren individueel over hun loon onderhandelen. Algemene bedragen op dit niveau zijn niet voorhanden.

Barema’s

Traditioneel gaan de journalistenlonen jaarlijks omhoog via een sociaal overlegd baremiek systeem: elk jaar krijgt men een hoger barema. (Dat is nog niet hetzelfde als indexering of aanpassing aan de levensduurte: alle barema’s worden om de zoveel tijd geïndexeerd.) Dit loonsysteem beloont anciënniteit, ervaring en trouw aan het bedrijf.

Weliswaar staat dit baremieke loonsysteem onder druk. In sommige mediabedrijven is het afgeschaft, in andere serieus afgevlakt. Werkgevers oordelen dan dat lonen meer moeten worden afgestemd op prestatie, dan op loutere anciënniteit.

Waar vind je je concrete loon?

Om concreet te weten hoeveel een bepaald mediabedrijf aan zijn journalisten betaalt, is het zaak de bedrijfscao’s en bijlagen te raadplegen.
Hoe dan ook moeten mediabedrijven zich houden aan de minimumlonen die in de bevoegde paritaire comités zijn afgesproken:

  • Voor kranten en magazines: PC 200
  • Voor magazinejournalisten: de cao AVBB-ThePpress
  • Voor audiovisuele en internetjournalisten: PC 227
  • Voor regionale omroepjournalisten: PC 329

Enkele cijfers

Volgens de oude, opgezegde maar niettemin nog altijd indicatieve dagblad-cao, zou een beginnend journalist vandaag +/- 2.500 euro bruto per maand verdienen. Wie evenwel een studie journalistiek achter de rug heeft, kan overwegen om een beginnersloon te vragen dat daar iets boven ligt.

In categorie 2 (de hoofdcategorie van gewone journalisten) is het beginbarema +/- 3.300 euro en het barema na 20 jaar +/- 4.500 euro. Volgens dezelfde cao zou een merkbepalende, verantwoordelijke of leidinggevende journalist tussen 4.000 en 5.800 euro bruto verdienen.

Cao AVBB – ThePpress 

Volgens de cao tussen AVBB en ThePpress die vandaag van kracht is, hebben beroepsjournalisten die werken voor nationale weekbladen recht op een minimumloon van 2.720 euro. Na 28 jaar dienst loopt dat op tot 4.125 euro. Journalisten met een zekere verantwoordelijkheid verdienen tussen 2.975 en 4.395 euro.

Voor journalisten die werken voor regionale weekbladen liggen de barema’s iets lager.

Volgens de universitaire journalistensurvey van 2013 verdienen Belgische beroepsjournalisten gemiddeld 2.266 euro netto. Een Franstalige enquête uit 2010 kwam voor een gewone verslaggever uit op 3.287 euro bruto.

Supplementen/vergoedingen en bonussen

Loontrekkende journalisten krijgen naast het loon vaak interessante werkmiddelen mee, zoals een bedrijfswagen en smartphone of tablet. Sommige mediabedrijven betalen ook telefoon- of internetaansluitingen voor hun journalisten.

Ook maaltijdcheques en groepsverzekeringen (voor hospitalisatie, pensioen…) zijn gangbare praktijk.

Meer en meer, ter compensatie voor het afschaffen of afvlakken van baremieke loonsverhogingen, schakelen mediabedrijven ook over op flexibele vergoedingen. Dergelijke bonussen variëren dan volgens de persoonlijke prestaties (zie hoger) of de bedrijfsresultaten.

De toekenning van persoonlijke extra’s is idealiter gebaseerd op vooraf collectief vastgelegde functieprofielen en evaluatieprocedures. Dat verdient ruim de voorkeur boven een willekeurig bonussensysteem, waarbij redactieverantwoordelijken veeleer naar believen beslissen over de toekenning ervan. Zo’n praktijk leidt snel tot frustraties en spanningen op een redactievloer.

De toekenning van ‘bedrijfsbonussen’ kan gebaseerd zijn op lees- of kijkcijfers, op verkoopcijfers, of op bedrijfsomzet. In het algemeen is het maar de vraag of zo’n focus op cijfers wel aangewezen is voor journalisten. Zeker wanneer hun loon afhankelijk wordt van bedrijfsresultaten – en dus ook de reclameomzet bijvoorbeeld – is de vraag of dit de journalistieke focus niet dreigt te vertroebelen.

Vergelijkingen

Wat de eigenlijke lonen betreft, zitten die van journalisten in de buurt van de wedden van onderwijzend personeel. Journalisten worden dan ook traditioneel nogal eens de ‘onderwijzers van het volk’ genoemd.
Een verschil tussen beide zijn de supplementen die journalisten wel, en onderwijzers veel minder krijgen bovenop het klassieke loon.

Een interessante vergelijking is mogelijk tussen het gemiddelde journalistenloon dat de AJP in 2010 berekende (3.287 euro bruto) en het gemiddelde bruto maandloon dat de FOD Economie in 2011 berekende voor alle Belgen (3.027 euro).

Sommige mediabedrijven betalen wel degelijk hogere lonen dan andere. Soms zijn er vrij belangrijke verschillen op het niveau van de supplementen en bonussen. Maar in het algemeen liggen de lonen tussen gelijke journalistencategorieën niet zo ver uit elkaar.

Mediabedrijven kunnen het zich niet veroorloven journalisten te verliezen aan concurrenten die net dat ietsje meer betalen.

Het is een wijdverbreid misverstand dat ‘journalisten geen werkuren hebben’. Zoals voor alle werknemers, is hun werktijd geregeld door dwingende arbeidstijdwetgeving, collectieve arbeidsovereenkomsten en arbeidsreglementen.

In cao’s is vaak bepaald dat de werknemer 38 arbeidsuren per week ter beschikking stelt van zijn werkgever. In een arbeidsreglement wordt die werkweek dan concreet ingevuld per werkdag, bijvoorbeeld in de vorm van 5 werkdagen van 7 uur 36 minuten. Als dat de regeling is, dan is er geen enkele reden waarom journalisten daar geen aanspraak zouden kunnen op maken.

Wat wel klopt is dat journalisten door de aard van hun werk onregelmatige werktijden hebben. Als een persconferentie uitloopt of er zich een ramp voordoet, is het voor een verslaggever of eindredacteur allesbehalve evident om met de klok in de hand huiswaarts te keren. Het nieuws laat zich niet in vaste tijden dwingen. En dus zal het meer dan eens voorkomen dat de werkdag niet na 7 uur 36 minuten om is, maar langer duurt.

Maar dat doet niets af aan de algemene werktijdregeling die in cao en arbeidsreglement is bepaald. En die moet regelingen bevatten voor compensatie van overwerk in de vorm van compensatieverlof of ‘recup’, of in de vorm van een compensatievergoeding. Daar heb je – ook als journalist – alle recht op.

Voor beginnende journalisten is dat alles mogelijk minder acuut. Dan let men er niet eens op hoeveel werkuren men draait.  Maar na verloop van tijd gaan velen toch belang hechten aan hun werktijden en de work-life-balans. Zeker wanneer er familiaal engagement bijkomt, kan de werkdruk te groot worden. Journalisten zijn overigens relatief kwetsbaar voor een burn-out, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek.

Een interessante optie is nog om de werkweek niet over vijf dagen van 7 uur 36 minuten te splitsen, maar over vier dagen van bijvoorbeeld 9 uur. Zo’n werkdag beantwoordt vaak beter aan de journalistieke realiteit van elke dag. En het grote voordeel is dat men drie dagen per week overhoudt om uit te puffen van het snelle en harde werk. Het pleit voor diverse mediabedrijven dat ze de mogelijkheid van deze vierdagenwerkweek aanbieden aan hun journalisten.

Eisenplatform VVJ

  1. Elke freelancer heeft recht op een duidelijk, geschreven en individueel onderhandeld contract. Tijdens de onderhandelingen over dat contract moet de freelancer als een volwaardige zakenpartner worden behandeld. De VVJ ontwierp een contractmodel dat de rechten van beide contractpartijen respecteert. Warme omroep om er gebruik van te maken!

  2. De uitgever sluit schijnzelfstandigheid uit. Een freelancer staat per definitie niet onder het gezag van de uitgever, is volledig vrij opdrachten te aanvaarden of te weigeren en bepaalt zelf wanneer hij/zij werkt. Een eventueel concurrentiebeding mag het vrije ondernemerschap niet belemmeren. De freelancer die economisch volledig afhankelijk is van een uitgever, maakt aanspraak op een arbeidsovereenkomst.

  3. Freelancers hebben het recht zich te verenigen om hun belangen te verdedigen. Ze zouden, al dan niet ondersteund door de VVJ, moeten kunnen collectieve overeenkomsten nastreven en ondertekenen. In het verlengde daarvan ijvert de VVJ voor de opname van een freelancer in de redactieraad en regelmatige momenten van samenkomst voor zelfstandigen per mediabedrijf én redactie.

  4. De tarieven die uitgevers hun freelancers betalen, moeten correct zijn. Ze moeten de freelancer in staat stellen een duurzame carrière in de journalistiek uit te bouwen en hoger liggen dan wat een collega-journalist die hetzelfde werk doet in loondienst wordt betaald. Bovendien moeten ze elk jaar geïndexeerd worden, ook het leven wordt elk jaar duurder. Kijk daartoe naar de indexeringsmaatregelen van de relevante paritaire comités van toepassing op de loontrekkende collega’s. Voor de start van de opdracht moet schriftelijk vaststaan hoeveel de opdracht wordt vergoed en hoe de vergoeding wordt berekend. VVJ stelde in 2019 een bundel met praktijktarieven samen voor de printmedia, tv & radio alsook online only media. We roepen op om niet onder de voorgestelde tarieven te gaan.

  5. Een werk dat in opdracht is geleverd, moet worden betaald zoals afgesproken, ongeacht of de uitgever het werk al dan niet (volledig) gebruikt. De betaling gebeurt uiterlijk 30 kalenderdagen na ontvangst van de ereloonnota of factuur zoals ook de wet dat voorschrijft. De freelancer moet niet wachten tot het werk gepubliceerd is, maar mag zijn/haar factuur onmiddellijk na voltooiing en bezorgen van de opdracht indienen, dan wel op maandelijkse basis.

  6. Freelancers moeten, conform de Auteurswet, autonoom kunnen beslissen of ze hun auteursrechten overdragen aan een uitgever voor eenmalig gebruik, dan wel voor elk hergebruik dat de uitgever ervan wil maken. De vergoeding die de freelancer voor zijn overdracht ontvangt zal mede worden bepaald door de aard van die overdracht.

  7. Freelancer en uitgever splitsen de vergoeding op in 50% prestatievergoeding en 50% auteursrechtelijke vergoeding, conform de ruling die de VVJ en de Vlaamse nieuwsmedia bij de FOD Financiën hebben bedongen en op voorwaarde dat de journalist dat wil. De auteursvergoeding is onderworpen aan een gunstig fiscaal regime. De uitgever neemt de administratie richting fiscus voor zijn rekening en betaalt de bevrijdende roerende voorheffing zoals de wet dit voorschrijft.

  8. Journalistenverenigingen en uitgevers hebben succesvol schouder-aan-schouder geijverd voor het nieuw naburig recht voor uitgevers. De Europese richtlijn waarin dat recht is opgenomen moet nu worden omgezet in nationaal recht. VVJ wil de nieuwe inkomsten op basis van het uitgeversrecht fifty-fifty verdelen onder uitgevers en journalisten en wel via de Journalisten Auteursmaatschappij (JAM).

  9. Journalisten zijn vrijgesteld van btw-heffing, als ze een contract van uitgave kunnen voorleggen en als ze werk maken dat auteursrechtelijk beschermd is. Meer en meer opdrachtgevers treden die wettelijke vrijstelling met de voeten, en vragen van hun zelfstandige journalisten dat ze btw-plichtig worden met veel administratieve rompslomp en kosten als gevolg. VVJ vraagt de uitgevers de wettelijke vrijstelling te respecteren.

  10. Na stopzetting van de samenwerking moet de uitgever een opzeggingstermijn van minstens drie maanden in acht nemen. Die duur wordt verlengd naargelang de duur en de intensiteit van de samenwerking. Zo oordeelde de rechter nog in 2018 dat een freelancer recht had op een opzeggingsvergoeding van 9 keer het gemiddelde maandinkomen na een plotse verbreking van een 25-jaar durende en zeer regelmatige, intensieve samenwerking.
    Vooraleer de samenwerking wordt stopgezet door de uitgever, moet de hoofdredactie de freelancer een gesprek toestaan.

  11. Schakel de toegang tot vorming gelijk voor werknemers en freelancers met wie er regelmatig wordt samengewerkt. Voorzie voor beginnende journalisten een goede begeleiding en geef feedback op de geleverde teksten.
    Maak geen onderscheid tussen freelancers en werknemers voor wat betreft de veiligheidsvoorzieningen en de mogelijkheid tot het afsluiten van een verzekering. De VVJ is vragende partij om samen met de uitgevers een voordelige collectieve verzekering beroepsaansprakelijkheid uit te werken voor freelancers.

  12. Zelfstandige beroepsjournalisten hebben geen recht op het journalistenpensioen, een discriminatie die niet te rechtvaardigen valt. Daarom zou elke freelancer moeten kunnen intekenen op een collectief VAPZ dat door de sector wordt gefinancierd.

  13. De uitgever stimuleert de journalist om beroepsjournalist/journalist van beroep te worden, en faciliteert waar nodig, dit in het belang van de journalist en diens uitgever.
  1. De in België wettelijk geregelde erkenningsprocedure voor beroepsjournalisten moet op een moderne manier worden toegepast. De Erkenningscommissie moet het verbod van commerciële nevenactiviteiten als uitsluitingsgrond voor een erkenning beperkt interpreteren, in die zin dat die activiteiten geen hypotheek mogen leggen op de onafhankelijkheid van de journalist. Journalisten moeten commerciële activiteiten kunnen ontplooien, indien die activiteiten hun onafhankelijkheid niet in het gedrang brengen.

  2. De Erkenningscommissie moet de erkenningsaanvragen van loontrekkende en van zelfstandige journalisten op een gelijke manier behandelen. Freelancejournalisten moeten, zoals loontrekkenden, op hun woord van eer kunnen verklaren dat ze geen commerciële nevenactiviteiten ontplooien, zonder dat hiermee een doorgedreven screening van hun boekhouding gepaard gaat. Dit belet niet dat de Erkenningscommissie bij vaststelling van onregelmatigheden steeds weer de erkenning kan intrekken.
  1. Een freelancer moet van de overheid een sociale bescherming krijgen die vergelijkbaar is met die van een loontrekkende, op het vlak vanpensioen en werkloosheidsuitkering.

  2. Freelancejournalistiek verdient fiscale bescherming en bevordering. Het bestaande fiscale regime voor auteursrechtelijke vergoedingen moet worden versterkt. Freelancejournalistiek moet van een BTW-vrijstelling blijven genieten.

  3. Overheden moeten bij hun steunbeleid ten aanzien van nieuwsmedia rekening houden met de mate waarin deze bedrijven correct omgaan met hun freelancejournalisten zoals dat ook is vastgelegd in het Sociaal Charter voor de mediasector in 2019.

Journalistenloket

Zennestraat 21
1000 Brussel
info@journalistenloket.be
02 777 08 40

Een initiatief van

VVJ-VlaamseVerenigingvanJournalisten-logo

Met steun van

logo-vlaamse-overheid