Praktische handleiding bij de Bronnenwet

Waarover gaat de wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistieke bronnen?

Het uitgangspunt van goede journalistiek is en blijft wel degelijk dat je maximaal open kaart speelt over je informatiebronnen. Door iemand in beeld te brengen, door iemand nominatim te quoten, enzovoort. Dat is een kwestie van eerlijkheid, en het komt ook de geloofwaardigheid van je berichtgeving ten goede.

Alleen zal een bron soms weigeren in beeld te komen omdat hij dan te grote risico’s loopt. Denk aan een werknemer die weet dat zijn bedrijf fraudeert, aan een politieman die kennis heeft van manipulaties, aan een sportman die bewijzen heeft van doping, aan een politicus die zonder zichzelf te verbranden licht wil werpen op vertrouwelijk overleg… In al die gevallen, zegt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens sinds 1996, moeten journalisten en informatiebronnen kunnen rekenen op de vertrouwelijkheid van hun contacten. Dat is een essentiële voorwaarde voor de free flow of information. Vandaar nu die Belgische wet: “Journalisten hebben het recht hun informatiebronnen te verzwijgen.”

 

Wie kan een beroep doen op de wet?

Foto: Christophe Licoppe   ©  Photo News
Foto: Christophe Licoppe
© Photo News

Kort en goed: iedereen die journalistiek actief is. Om het even is of dat nu professioneel en regelmatig is dan wel vrijwillig of occasioneel. Ook bloggers, bijvoorbeeld, kunnen dus aanspraak maken op de bescherming van hun informatiebronnen.

Verder zijn ook de mediabedrijven als entiteit beschermd, net zoals alle redactiemedewerkers (receptionisten en telefonisten bijvoorbeeld).

Opgelet! De bron die informatie ‘lekt’ kan zelf géén beroep doen op de Bronnenwet. Hij kan nog steeds worden vervolgd voor schending van het beroepsgeheim of verduistering van documenten bijvoorbeeld. Maar duidelijk is nu dat justitie hierbij van journalisten geen hulp moet verwachten. Andere wetgeving daarentegen verleent wél een directe bescherming aan ‘klokkenluiders’ die wantoestanden willen aanklagen.

 

Hoe verhoudt de wet zich tot de journalistieke beroepsethiek?

In perfecte harmonie, als waren het twee kanten van eenzelfde medaille. Alle deontologische codes voorzien al veel langer in een zwijgplicht voor journalisten die zich ten overstaan van een bron engageren tot vertrouwelijkheid. Met het nu wettelijk toegekende zwijgrecht kan elke journalist die beroepsplicht ook effectief hard maken ten overstaan de autoriteiten.

 

Stel: Justitie is bezig met een lekkenonderzoek en nodigt je uit om een verklaring af te leggen of documenten of beelden te overhandigen.

Meer dan ooit kan de journalist zich nu beroepen op het bronnengeheim om geen getuigenis te moeten afleggen of wat dan ook over te maken aan justitie. Het beste is om bij een verhoor kort en goed te verwijzen naar de wet (wet van 7 april 2005 tot bescherming van de journalistiek bronnen). Laat je niet vangen door in ondervragingstechnieken goed getrainde rechercheurs die je toch nog de pieren uit de neus proberen te halen.

 

Hoe ver reikt de bescherming nog?

Ook alle andere mogelijke opsporingsmaatregelen tegen journalisten of redacties zijn voortaan taboe in het kader van een lekkenonderzoek. Het gaat om de klassieke opsporingsmethoden zoals fouillering, huiszoeking, inbeslagneming en het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken, maar ook om de zogenaamde BOM – bijzondere opsporingsmethoden – zoals observatie en infiltratie.

 

Is de bescherming compleet?

Foto: Christophe Licoppe  © Photo News
Foto: Christophe Licoppe
© Photo News

Neen. Maar Justitie moet wel aan zeer strikte voorwaarden voldoen om het bronnengeheim van een journalist te kunnen kraken:

  1. Enkel een rechter kan hiertoe beslissen (niet een parketmagistraat, laat staan een politierechercheur);
  2. De gezochte informatie kan misdrijven voorkomen die een ernstige bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van één of meer personen (denk aan terrorisme, gijzeling, ontvoering, kindermishandeling of pedofilie);
  3. De gezochte informatie moet cruciaal zijn voor het voorkomen van deze misdrijven en ze kan bovendien op geen andere wijze verkregen worden.

 

Wanneer geldt het bronnengeheim dus onverkort?

Dat is, bijvoorbeeld, wanneer een persoon of bedrijf gewaagt van aantasting van zijn eer of goede naam door een publicatie of uitzending, en in dit kader aanspraak zou maken op de onthulling van de anonieme bron van de journalist.

 

Kunnen slimme justitiefunctionarissen de wet niet omzeilen door de journalist persoonlijk te vervolgen voor een misdrijf – wat hen alsnog zou toelaten huiszoekingen etcetera te komen uitvoeren?

Dit wordt in elk geval een heel stuk moeilijker. De nieuwe wet verleent de journalist immers een immuniteit tegen vervolgingen voor zowel heling als medeplichtigheid aan schending van het beroepsgeheim.

Andere vervolgingen – zoals voor misbruik inzagerecht in een strafdossier, scannerbezit, corruptie of bendevorming – blijven wel mogelijk. Een journalist die persoonlijk wordt verdacht heeft bij een verhoor weliswaar per definitie het recht om te zwijgen. Maar andere opsporingstechnieken kunnen in theorie wel degelijk tegen hem worden ingezet.

 

Leuk allemaal, op een foutje meer of minder in onze berichtgeving steekt het dus niet meer…

Goed fout! De wet laat de aansprakelijkheid van de journalist voor zijn uiteindelijke berichtgeving ongemoeid. Gepubliceerde of uitgezonden informatie die niet beantwoordt aan de normale zorgvuldigheidsnormen, kan dus nog steeds leiden tot schadevergoeding. Checken en dubbelchecken blijft met andere woorden de boodschap – dit des te meer wanneer gewerkt wordt met een anonieme bron. Want laat ons vooral eerlijk blijven: niet àlle anonieme bronnen hebben de nobelste bedoelingen…

 

Terug naar ‘Bronnengeheim’