Bronnengeheim tegenover inlichtingendiensten

Begin 2010 kregen de Belgische inlichtingendiensten van de wetgever een pak meer bevoegdheden in de strijd tegen staatsgevaarlijke sujetten. Maar beroepsjournalisten kregen, net zoals advocaten en artsen, extra bescherming.

De inlichtingendiensten waren al veel langer vragende partij voor meer mogelijkheden, vooral in het licht van de toegenomen terrorismedreiging. Wat de Staatsveiligheid en de Militaire Inlichtingendienst extra stak, was dat buitenlandse veiligheidsdiensten wel met allerlei gesofisticeerde onderzoeksmethodes actief konden zijn op Belgisch grondgebied.

De wet laat hen nu met zoveel woorden toe om zelf ook spionage-apparatuur te gebruiken, alle mogelijke communicaties te onderscheppen, computers te kraken of binnen te dringen in de meest besloten plaatsen.

Een belangrijke rem op het inlichtingenwerk betreft weliswaar beroepsjournalisten. Van hen wordt expliciet erkend dat ze vertrouwelijk met informatiebronnen moeten kunnen omgaan, zonder dat de overheid meekijkt. “Het is de inlichtingen- en veiligheidsdiensten verboden gegevens die worden beschermd door ofwel het beroepsgeheim van een advocaat of een arts, ofwel door het bronnengeheim van een journalist te verkrijgen, te analyseren of te exploiteren”, zo staat in artikel 2 van de Inlichtingenwet.

© Photo News
© Photo News

Van die regel kan enkel worden afgeweken “ingeval de betrokken dienst vooraf over ernstige aanwijzingen beschikt dat de advocaat, de arts of de journalist persoonlijk en actief meewerkt of heeft meegewerkt aan het ontstaan of aan de ontwikkeling van de potentiële bedreiging”.

Die extra bescherming komt bovenop beperkingen die de inlichtingendiensten tegenover alle burgers in acht moeten nemen. Zo kan iemands privacy nooit méér worden ingeperkt dan echt nodig is om een staatsgevaarlijke dreiging af te wenden. In het algemeen hebben burgers ook de mogelijkheid om bij de inlichtingendiensten na te gaan of er over hen een ‘dossier’ bestaat. Antwoorden is verplicht van zodra het dossier ouder is dan vijf jaar.

Een cruciale controlerol bij een en ander speelt een nieuwe Commissie, die uit drie onafhankelijke magistraten bestaat. Deze commissie zal de inlichtingendiensten volcontinu operationeel begeleiden en bewaken, nog los van het parlementaire Controlecomité voor de Inlichtingendiensten dat al langer bestaat.

Zo moet de Commissie ook vooraf op de hoogte worden gebracht telkens een inlichtingendienst alsnog zoekwerk wil verrichten naar een journalist (of advocaat of arts). De Commissie gaat dan na of de journalist inderdaad voldoende betrokken is bij de dreiging. Bij huiszoekingen of communicatietaps bij een journalist moet de Commissie bovendien vooraf haar expliciete toestemming geven. Tevens moet ze de voorzitter van de AVBB vooraf op de hoogte brengen van de geplande onderzoeksmaatregel. De AVBB-voorzitter is hierover wel tot geheimhouding verplicht.

Belangrijk: de extra bescherming voor journalisten is beperkt tot erkende beroepsjournalisten. Daarmee wilden de inlichtingendiensten vooral vermijden dat staatsgevaarlijke buitenlanders de dekmantel van journalist gaan misbruiken.

Maar de Inlichtingenwet beschermt dus evenmin andere niet-professionele journalisten, dit in tegenstelling tot de Bronnenwet van 2005 die het journalistieke bronnengeheim tegen politie en justitie vrijwaart.

 

Terug naar ‘Bronnengeheim’