Recht tot antwoord – hoofdstuk 2: audiovisuele middelen

Artikel 7

Onverminderd de andere rechtsmiddelen heeft elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, elke feitelijke vereniging, die bij name is genoemd of impliciet is aangewezen in een audiovisuele uitzending, uitgave of programma van periodieke aard, het recht, onder aanwijzing van een persoonlijk belang, kosteloos de uitzending of de opneming van een antwoord te vorderen om één of meer onjuiste feiten die hem betreffen recht te zetten of om te antwoorden op één of meer feiten of verklaringen die van zodanige aard zijn dat zij de eer aantasten.

Indien de persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte lijn of aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 8, eerste lid, van deze wet, is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

Artikel 8

Op straffe van onontvankelijkheid moet de aanvraag tot antwoord aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • uiterlijk de dertigste dag na de datum van de uitzending, het programma of de uitgave bij ter post aangetekende brief worden toegezonden aan de producent van de uitzending of het programma of aan de uitgever;
  • de volledige identiteit van de verzoeker alsmede zijn woonplaats vermelden, indien het een natuurlijke persoon betreft. Bij rechtspersonen worden de firmanaam, de juridische aard, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld. Bij feitelijke verenigingen worden de naam, de zetel, de statutaire organen en de hoedanigheid van de ondertekenaar van het verzoek vermeld;
  • alle nodige inlichtingen geven zodat kan worden vastgesteld om welke bestreden uitzending, programma of uitgave en om welke gewraakte passages het gaat;
  • met redenen omkleed en ondertekend zijn;
  • het gevraagde antwoord bevatten; de tekst ervan moet in ten hoogste drie minuten kunnen worden gelezen of bestaan uit ten hoogste 4 500 typografische tekens.

Artikel 9

Geweigerd kan worden de uitzending of de opneming van elk antwoord:

  • dat niet in onmiddellijk verband staat met de bestreden woorden of beelden of dat verder gaat dan nodig is om de onjuist verklaarde feiten te verbeteren of dat schadelijk is voor de eer;
  • dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
  • dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
  • dat gesteld is in een andere taal dan die van de bestreden uitzending, uitgave of programma.

Artikel 10

Er is geen grond tot antwoord indien spontaan een bevredigende rechtzetting is gedaan door de producent of de uitgever.

Indien deze rechtzetting door de verzoeker niet bevredigend wordt geacht, kan hij gebruik maken van de rechten die hem worden toegekend door de bepalingen van deze wet.

Artikel 11

§1. Wanneer de aanvraag tot antwoord en de voorgestelde tekst aanvaard worden, wordt dat antwoord uitgezonden in de eerstvolgende uitzending of in het eerstvolgend programma van dezelfde reeks of van hetzelfde type, zo dicht mogelijk bij het uur waarop de betrokken uitzending of programma heeft plaatsgehad.

Indien de aanvraag tot antwoord een periodieke uitgave betreft, wordt de tekst opgenomen in de eerstvolgende uitgave.

Indien de frequentie te gering is, kan de verzoeker vorderen dat zijn antwoord wordt uitgezonden in de eerstvolgende uitzending.

Het antwoord wordt zonder commentaar of repliek gelezen door de persoon die door de producent of door de uitgever is aangewezen.

De verzoeker heeft in geen geval toegang tot de microfoon, de camera of de opnameapparatuur.

§2. Wordt het verzochte antwoord aanvaard, maar niet in zijn geheel, dan stuurt de producent of de uitgever aan de verzoeker een tegenvoorstel. Dit moet bij aangetekende brief worden medegedeeld binnen vier werkdagen, te rekenen van de dag na de ontvangst van de aanvraag.

Wordt het tegenvoorstel door de verzoeker aanvaard, dan wordt het antwoord uitgezonden of opgenomen op de wijze bepaald in § 1.

§3. Indien de producent of de uitgever de aanvraag tot antwoord afwijst, deelt hij dit onder opgave van redenen bij aangetekend schrijven aan de verzoeker mee binnen een termijn van vier werkdagen, ingaande op de dag na de ontvangst van de aanvraag.

Artikel 12

Indien de formaliteiten bepaald in § 2, eerste lid, en § 3 van artikel 11 niet vervuld zijn, indien de aanvraag tot antwoord wordt afgewezen of het tegenvoorstel van tekst niet wordt aanvaard, kan de verzoeker de zaak aanhangig maken bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en wel binnen vijftien dagen te rekenen van de dag waarop van de weigering of van het tegenvoorstel kennis moest worden gegeven of binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de weigering of van het tegenvoorstel. Bij de voorzitter kan binnen dezelfde termijn een verzoekschrift tot minnelijke schikking aanhangig worden gemaakt overeenkomstig artikel 731 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Dat verzoekschrift heeft ten aanzien van de termijn van vijftien dagen de gevolgen van een dagvaarding, mits gedagvaard wordt binnen vijftien dagen na het proces-verbaal houdende vaststelling dat partijen niet tot verzoening zijn gekomen.

De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, als alleenspreker rechter zitting houdende, beslist ten gronde en in laatste aanleg volgens de procedure bepaald in de artikelen 1035, 1036, 1038 en 1041 van het Gerechtelijk Wetboek over de verplichting van de producent of de uitgever om het antwoord uit te zenden of op te nemen.

In geval van beschikking bij verstek kan verzet worden gedaan binnen vijftien dagen na de kennisgeving. Van de beschikking wordt aan de partijen kennis gegeven bij gerechtsbrief.

Artikel 13

Van elke uitzending, programma of uitgave moet een opname bewaard worden, zolang een aanvraag tot antwoord kan worden ingediend.

Wanneer geen opname kan worden overgelegd, moet het antwoord worden uitgezonden of uitgegeven, voor zover het in overeenstemming is met de wet.

Wanneer de aanvraag tot antwoord tijdig is ingediend, moet de opname van de betrokken uitzending, programma of uitgave bewaard worden tot het geschil beslecht is.

De opname van het antwoord moet gedurende drie maanden worden bewaard.

Artikel 14

Op een antwoord geven geen recht de uitzendingen die door de uitzendingsinstituten van radio- en televisie worden toegestaan aan erkende verenigingen en stichtingen, voor zover die uitzendingen gerealiseerd worden in overeenstemming met de bepalingen die de uitzendingen door erkende verenigingen en stichtingen regelen.

Artikel 15

Met geldboete van 26 tot 5 000 frank en onverminderd burgerrechtelijk herstel kan worden gestraft het feit van een antwoord niet uit te zenden of op te nemen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, § 1 en § 2, tweede lid, of de minnelijke schikking dan wel de beschikking van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg niet uit te voeren.

Terug naar ‘Recht tot antwoord’