Recht tot antwoord – hoofdstuk 1: Periodieke geschriften

Artikel 1

Onverminderd de andere rechtsmiddelen, heeft elke natuurlijke of rechtspersoon die in een periodiek geschrift bij name is genoemd of impliciet aangewezen, het recht binnen drie maanden kosteloze inlassing van een antwoord te vorderen.

De wetenschappelijke, artistieke of letterkundige kritiek echter levert slechts een recht van antwoord op indien dit ten doel heeft een zakelijk element recht te zetten of een aantasting van de eer af te weren. Indien de bedoelde persoon overleden is, behoort het recht van antwoord aan al de bloedverwanten in de rechte linie en aan de echtgenoot of, bij ontstentenis van dezen, aan de naaste bloedverwanten; het recht wordt slechts eenmaal en door de meest gerede onder hen uitgeoefend; indien, op de dag van het overlijden van de genoemde of aangewezen persoon, de bij het eerste lid bepaalde termijn van drie maanden is ingegaan, beschikken de rechthebbenden alleen over het nog overblijvende gedeelte van die termijn.

Artikel 2

Het antwoord mag niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de tekst die het recht tot antwoord rechtvaardigt.

De in de zaak betrokken persoon mag ineens het recht tot antwoord uitoefenen op teksten die in verschillende opeenvolgende nummers zijn verschenen.

In dat geval mag zijn antwoord niet meer bedragen dan duizend letters schrift of het dubbel van de ruimte ingenomen door de langste van die teksten.

De vordering tot inlassing bevat de nauwkeurige opgaaf van de teksten, vermeldingen of aanhalingen waarop het antwoord betrekking heeft.

Artikel 3

Kan worden geweigerd, de inlassing van elk antwoord:

  1. Dat niet onmiddellijk in verband staat met de bestreden tekst;
  2. Dat beledigend is of in strijd met de wetten of de goede zeden;
  3. Dat zonder noodzakelijkheid derden in de zaak betrekt;
  4. Dat gesteld is in een andere taal dan die van het periodiek geschrift.

Artikel 4

Het antwoord moet in zijn geheel worden opgenomen zonder tussenvoeging, op dezelfde plaats en in dezelfde lettertekens als de tekst waarop het betrekking heeft.

Het moet worden opgenomen in het eerste nummer dat verschijnt na afloop van een termijn van twee vrije dagen, de zondagen of feestdagen niet inbegrepen, en die ingaat op de dag waarop het antwoord ten kantore van het periodiek geschrift werd ingediend.

Artikel 5

In geval van overtreding van artikel 4, wordt de uitgever gestraft met geldboete van 26 frank tot 5 000 frank. Artikel 85 van het Strafwetboek is op dit misdrijf van toepassing.

Indien de dag van het vonnis het antwoord nog niet werd opgenomen, gelast de rechtbank de opneming binnen een termijn die zij vaststelt, en veroordeelt zij bovendien de uitgever tot een geldboete van 100 frank per dag vertraging van het verstrijken vanaf deze termijn; in een speciaal met redenen omklede beschikking kan zij verklaren dat het gedeelte van het vonnis dat de opneming beveelt uitvoerbaar is bij voorraad niettegenstaande verzet of beroep.

Artikel 9 der wet van 31 mei 1888 waarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling en de voorwaardelijke veroordelingen in het strafstelsel worden ingevoerd, zoals het bij de wet van 14 november 1947 werd gewijzigd, is niet van toepassing op de veroordelingen waarvan sprake in het voorgaande lid.

Artikel 6

Bij gebreke van aanduiding van de naam van de uitgever in het periodiek geschrift, wordt de drukker, behoudens het tegenbewijs, verondersteld de uitgever te zijn.

Terug naar ‘Recht tot antwoord’