Op strafrechtelijk vlak kunnen journalisten voor hun ‘opiniedelicten‘, die dan onder de noemer ‘persdelict’ vallen, alleen door het hof van assisen worden berecht. In de praktijk komen assisenzaken tegen de pers niet voor. Men spreekt in dit verband van een zekere ‘strafrechtelijke immuniteit’ van de pers.

Opgelet: ‘technische’ misdrijven, die niet neerkomen op het formuleren van een opinie, komen niet voor het hof van assisen en genieten dus ook niet de feitelijke immuniteit die daaruit volgt. Zij worden wel behandeld door de gewone correctionele rechtbank. Denk aan het gebruik van een scanner, het vrijgeven van de identiteit van een minderjarige verdachte of het slachtoffer van zedencriminaliteit, het misbruik maken van inzagerecht in gerechtsdossiers, en dergelijke meer. In de praktijk worden dergelijke wanbedrijven meer dan eens correctioneel vervolgd en ook bestraft. Alle journalisten moeten zich dan ook goed bewust zijn van deze wettelijke beperkingen op hun journalistieke vrijheid.

Bovendien speelt voor journalisten die in de fout gaan volop de burgerrechtelijke aansprakelijkheid. Volgens artikel 1382 Burgerlijk Wetboek moet elkeen die door een fout schade veroorzaakt voor iemand anders, die schade vergoeden. Potje breken, potje betalen. Ook een journalist die foutieve informatie verspreidt of iemands privacy schendt, riskeert hiervoor dan ook een schadeclaim en eventueel een veroordeling. In de praktijk komen zo’n burgerrechtelijke claims tegen journalisten meer dan eens voor, al dan niet met een veroordeling tot gevolg.

Getrapte aansprakelijkheid

Wettelijk (zelfs grondwettelijk) gezien is de journalist de eerste die aansprakelijk is als zijn werkstuk niet blijkt te voldoen en de benadeelde daartegen in het verweer gaat. Dat is een verschil met andere arbeidssectoren, waar – kort samengevat – de werkgever aansprakelijk is voor beroepsfouten van zijn personeel die schade toebrengen aan derden. Alleen als de auteur niet bekend is of niet in België woont, kan de uitgever aansprakelijk worden gesteld. Is ook die laatste onbekend of woonachtig in het buitenland, dan zal de drukker aansprakelijk zijn, en uiteindelijk eventueel nog de verspreider van de informatie. Dit is de zogezegde getrapte aansprakelijkheid in persaangelegenheden. Die in de praktijk dus veelal zal neerkomen op een persoonlijke aansprakelijkheid van de journalist. Die vorm van beroepsaansprakelijkheid speelt overigens zowel op strafrechtelijk als op het burgerrechtelijk vlak.

Redactionele tussenkomst

Dat creëert vooral voor freelancejournalisten het risico dat ze moederziel alleen soms lastige processen moeten verwerken en zware schadeclaims moeten torsen. Collega’s in loondienst kunnen vaak een beroep doen op een advocaat ‘van het bedrijf’, terwijl dat voor freelancers meestal niet het geval is. En draait de rechtszaak uit op een veroordeling, dan moet soms een flinke schadevergoeding worden betaald.

Je kunt je de vraag stellen in hoeverre het principe van de getrapte aansprakelijkheid nog hout snijdt, zeker als je vaststelt hoe zwaar hoofd- en eindredacties wegen op inhoud en vorm van journalistieke bijdragen. Sommige rechtbanken zien dat trouwens ook goed in, en betrekken, bij een veroordeling, ook eindredactie, hoofdredactie en zelfs uitgever in de zaak. Dat verzacht de soms zware financiële gevolgen voor de journalist.

Hoe dan ook is de principiële persoonlijke aansprakelijkheid van de journalist een krachtig argument om aanspraak te blijven maken op je morele auteursrechten.