Echte en schijnzelfstandigen

Een zelfstandige vervult opdrachten, en wordt daarvoor vergoed door zijn opdrachtgever. Wat telt daarbij, is dat de freelance journalist behoorlijk werk aflevert. Maar hoe en wanneer precies hij dat doet, bepaalt de freelancer in principe zelf. Ook al moet men er natuurlijk altijd op letten dat men bijvoorbeeld de deadline respecteert.

Daarmee onderscheidt een freelancer zich fundamenteel van een collega in vast dienstverband. Die stelt arbeidstijd (bijvoorbeeld 38 uren per week) ter beschikking van zijn werkgever- onder wiens ‘gezag, leiding en toezicht’ hij dan werkt – en wordt hiervoor vergoed met een vast loon.

Aannemingscontract

Foto: Philip Reynaers © Photo News
Foto: Philip Reynaers
© Photo News

Een contract van zelfstandige samenwerking wordt ook wel aannemingscontract genoemd. In dat geval spreken we ook veeleer van een opdrachtgever, tegenover werkgever wanneer er een arbeidsovereenkomst is.

De term ‘freelance’ vindt zijn oorsprong bij de middeleeuwse strijders – lansiers – die hun vechtkunsten ten dienste stelden van de vorsten die er het royaalst voor betaalden. Zelfstandige journalisten worden in het Frans trouwens vaak ‘pigistes’ genoemd, in de zin van journalisten die ‘à la pige’ (of ‘per stuk’) werken en worden vergoed.

Opdrachten verzamelen

Een zelfstandige komt met een opdrachtgever contractueel overeen om opdrachten te vervullen. Die opdrachten kunnen uitgaan van de opdrachtgever, ofwel door de freelancer zelf worden voorgesteld.

Wat de zaken enigszins compliceert, is dat dé zelfstandige journalist eigenlijk niet bestaat. Sommige freelancers werken louter per opdracht. Denk aan een reportage of een interview. Anderen beschikken over een kaderovereenkomst met een of meer opdrachtgevers, en vervullen in het kader daarvan regelmatige opdrachten. Vaak is zelfs sprake van exclusieve samenwerking tussen de zelfstandige en diens opdrachtgever – wat het werken voor andere media uitsluit.

De Vlaamse praktijk: contracten van overdracht van auteursrechten

Sinds enkele jaren leggen de Vlaamse uitgevers hun freelance journalisten een ander type contract voor. Dat heet dan ‘contract van cessie van auteursrechten’, of iets gelijksoortigs

De redenen zijn tweeërlei. Om te beginnen wil de uitgever er op die manier zeker van zijn dat hij beschikt over alle auteursrechten op het product dat een freelancer hem levert. Dat laat die uitgever dan toe vrijuit dat product door te publiceren of op nog een andere manier te hergebruiken. En daarnaast heeft een contract dat alleen maar de overdracht van auteursrechten betreft, op het eerste gezicht ook aanzienlijke fiscale voordelen. De journalist-auteur kan in dat geval namelijk aanspraak maken op een fiscaal gunstregime.

 

Schijnzelfstandigheid

Wat niét kan – omdat de wet en de rechtspraak het nu eenmaal verbieden – is dat een opdrachtgever met iemand op zelfstandige basis wil samenwerken terwijl er feitelijk sprake is van ‘gezag, leiding en toezicht’. De betrokkene krijgt dus geen arbeidsovereenkomst, terwijl zijn werksituatie feitelijk gezien aan de wettelijke omschrijving daarvan beantwoordt.

Om zelfstandige te zijn, moet je aan de volgende drie voorwaarden voldoen:

  • afwezigheid van de mogelijkheid tot hiërarchische controle;
  • een vrije werkorganisatie;
  • de vrijheid zelf de arbeidstijden te bepalen.

Toch komt het fenomeen van de schijnzelfstandige in de mediasector meer dan eens voor. Neem het geval van een freelancejournalist die gedwongen wordt op welbepaalde momenten te presteren, en dus niet vrij is zijn arbeidstijd zélf te regelen. Van zelfstandige journalisten wordt soms vereist dat ze werken op de redactie, of dat ze tijdens afgesproken perioden stand-by en oproepbaar zijn. Ook eisen uitgevers soms een exclusieve samenwerking, wat het verbod impliceert om voor anderen te werken. Sommige freelancers worden onderworpen aan interne controle- en sanctiemogelijkheden in het bedrijf.

Met schijnzelfstandigen slaan werkgevers een dubbele slag:

  • Freelancers kosten hun doorgaans een stuk minder dan journalisten met een loonstatuut.
  • Werkgevers kunnen zelfstandigen van de ene op de andere dag aan de kant schuiven.
    • Ze zijn hierbij niet gebonden door vervelende opzeggingstermijnen of dure opzeggingsvergoedingen en dito contractverbrekingen.

In de jaren ’90 woekerde het fenomeen van de schijnzelfstandigheid volop. Via diverse gerechtelijke procedures zijn toen ook mediabedrijven gewezen op hun verantwoordelijkheid. Sindsdien is er minder sprake van formeel onwettige schijnzelfstandigheid, maar dat belet niet dat nog altijd veel freelancers zich zo voelen.

Onvrijwillig zelfstandig

Foto: Philip Reynaers © Photo News
Foto: Philip Reynaers
© Photo News

Steekproeven tonen aan dat voor de helft van de freelancejournalisten in Vlaanderen het statuut van zelfstandige geen vrije keuze is. Dat gebeurt tegen de achtergrond van moderne managementprocessen als outsourcing en flexibilisering van het werk. Zeker met de huidige crisis zit het aantal vaste banen op redacties niet in de lift.

Met het misbruik van het statuut van zelfstandige is de betrokken journalist absoluut niet gebaat:

  • Hij kan niet voluit genieten van de voordelen van het zelfstandigenstatuut
  • Hij mist de voordelen van een arbeidsovereenkomst, zowel op het niveau van de arbeidsvoorwaarden (loonregeling, ontslagbescherming, recht op vakantie) als op het vlak van de sociale zekerheid (hoger beschermingsniveau). Ook de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), die op die manier een hoop sociale bijdragen misloopt, is gedupeerde partij.

Arbeidsrechtbank beslist

De opdrachtgever heeft in principe niet het laatste woord als hij een samenwerkingsverband als ‘zelfstandige arbeid’ catalogiseert. Een forse stem in het kapittel heeft de RSZ, die de sociale bijdragen ontvangt die gerelateerd zijn aan arbeidscontracten. Maar het laatste woord hebben uiteindelijk de (arbeids)rechtbanken. Zij beslissen, bij een conflict dat aan hen wordt voorgelegd, definitief of een werkverhouding als arbeidsovereenkomst dan wel als zelfstandige aanneming moet worden beschouwd.

Daarvoor baseren de arbeidsrechtbanken zich in principe op de feitelijke criteria die we hoger vermeldden: arbeidstijdregeling, onderworpenheid aan gezag en beschikbaarheid. Mettertijd zijn de rechtscolleges wel almaar meer uitgegaan van wat de partijen op papier zijn overeengekomen, en weegt de feitelijke situatie dus minder mee. Dat is een gevolg van rechtspraak van het Hof van Cassatie. Het betekent wel een verzwakking van de positie van de schijnzelfstandige én van de RSZ.

Arbeidsrelatiewet

In de lijn van die rechtspraak heeft de wetgever een arbeidsrelatiewet opgesteld (27 december 2006) aan de hand waarvan een rechter kan oordelen of er sprake is van een dienstverband dan wel van zelfstandige samenwerking.

De criteria zijn:

  • de wil van de betrokken partijen, zoals die in hun overeenkomst is uitgedrukt;
  • de vrijheid van organisatie van de werktijd;
  • de vrijheid van organisatie van het werk;
  • de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.

Wat de freelancer en de uitgever op papier zijn overeengekomen, geldt in principe als bepalend voor de aard van de werkrelatie. De feitelijke situatie speelt een minder doorslaggevende rol. Wel geldt nog de afwezigheid van enige hiërarchische controle, als criterium om de kwalificatie ‘zelfstandige’ te handhaven.

In maart 2012 is wel een akkoord bereikt over een strengere aanpak van schijnzelfstandigheid, door de invoering van een (weliswaar weerlegbaar) vermoeden dat iemand werknemer. Maar dit vermoeden geldt slechts voor drie beroepssectoren: de bouwsector, de transportsector en de bewakingssector. Het geldt dus niet voor de mediasector.

Regularisatie

De wetgever is uitgegaan van de gelijkwaardigheid van de contracterende partijen, maar in de realiteit is vooral de beginnende freelancer geen echte sparringpartner voor een hoofdredacteur of personeelsdirecteur. Hierdoor kan de facto een schijnzelfstandigheid nog altijd door een aannemingscontract worden gemaskeerd.

In een aantal gevallen is een zelfstandige samenwerking aldus omgezet in een arbeidsovereenkomst. Voor de journalist heeft zo’n regularisatie belangrijke voordelen. Hij wordt dan alsnog onderworpen aan de regels van het arbeidsrecht, bijvoorbeeld inzake een opzeggingstermijn of -vergoeding. Bovendien verwerft hij dan alsnog de voordelen van de sociale zekerheid die voor werknemers gelden, en die blijven nu eenmaal interessanter dan wat het sociaal statuut van de zelfstandige te bieden heeft. Je moet er wel rekening mee houden dat vorderingen in het sociaal recht in de regel na vijf jaar verjaren.

We moeten natuurlijk realistisch blijven: voor een journalist die zich in een situatie van schijnzelfstandigheid bevindt, is het niet vanzelfsprekend om die situatie fel aan te klagen bij zijn uitgever. Het risico dat de samenwerking dan meteen wordt beëindigd, is dan meer dan denkbeeldig. Het belet niet dat ook na het beëindigen van de samenwerking nog een regularisatie kan worden gevraagd.

Terug naar ‘De schemerzone tussen vast en los’

Terug naar ‘Journalist en ondernemer’