Juridisch gezien is een zelfstandige iemand die zijn beroepsbezigheid uitoefent zonder enige gezagsrelatie of ondergeschiktheid. Daarmee onderscheidt de zelfstandige samenwerking zich fundamenteel van een arbeidsovereenkomst en het ambtenarenstatuut, die wél een band van ondergeschiktheid veronderstellen.

Foto: Philip Reynaers © Photo News
Foto: Philip Reynaers
© Photo News

Een contract van zelfstandige samenwerking wordt ook wel aannemingscontract genoemd. Terwijl een arbeidsovereenkomst tussen een werkgever en een werknemer wordt afgesloten, is bij een aannemingscontract sprake van een opdrachtgever en een aannemer.

Diversiteit troef

Concreet komt het erop neer dat de zelfstandige met een opdrachtgever contractueel overeengekomen ‘opdrachten’ vervult, of op eigen initiatief gerealiseerd werk aanbiedt, veeleer dan dat hij arbeidstijd ter beschikking stelt van een werkgever. Die nuance komt tot uiting in de term ‘freelance’, die teruggaat op de middeleeuwse strijders (‘lansiers’) die hun vechtkunsten ten dienste stelden van de vorsten die daar het royaalst voor betaalden. Zelfstandige journalisten worden in het Frans trouwens vaak ‘pigistes’ genoemd, in de zin van journalisten die ‘à la pige’ (of ‘per stuk’) werken en worden vergoed.

Wat de zaken enigszins compliceert, is dat dé zelfstandige journalist eigenlijk niet bestaat. Sommige freelancers werken louter per opdracht, denk aan een reportage of een interview. Anderen beschikken over een kaderovereenkomst met een (of meer) opdrachtgever(s), en vervullen in het raam daarvan regelmatige opdrachten. Vaak is zelfs sprake van exclusieve samenwerking tussen de zelfstandige en diens opdrachtgever – wat het werken voor andere media dus uitsluit.

Tussen vaste contracten en zelfstandige samenwerking bevindt zich bovendien een schemerzone, waarin twee fenomenen opduiken. Het eerste is dat van schijnzelfstandigheid, van recenter datum is de uitzendarbeid die momenteel hoge toppen scheert in de mediasector.

Schijnzelfstandigheid

Wat niét kan – omdat de wet het nu eenmaal verbiedt – is dat een opdrachtgever met iemand op zelfstandige basis wil samenwerken, terwijl er feitelijk sprake is van ondergeschiktheid. Of anders uitgedrukt: de betrokkene krijgt geen arbeidsovereenkomst, terwijl zijn werksituatie feitelijk gezien helemaal aan de wettelijke omschrijving daarvan beantwoordt.

Om het onderscheid tussen een arbeidscontract en een zelfstandige samenwerking te maken hanteert de Arbeidsrelatiewet van 2006 vier criteria:

  1. de wil van de partijen zoals uitgedrukt in de overeenkomst
  2. de vrijheid van organisatie van de werktijd
  3. de vrijheid van organisatie van het werk
  4. de mogelijkheid van een hiërarchische controle.

Deze vier criteria bepalen dus ook of er sprake is van schijnzelfstandigheid.

Jammer genoeg komt het fenomeen van schijnzelfstandigheid in de mediasector – zoals in nog andere sectoren – nog altijd voor. Neem het geval van een freelancejournalist die gedwongen wordt op welbepaalde momenten te presteren, en dus niet vrij is zijn arbeidstijd zélf te regelen. Van zelfstandige journalisten wordt soms vereist dat ze werken op de redactie, of dat ze tijdens afgesproken perioden stand-by en oproepbaar zijn. Ook wordt soms geëist dat ‘exclusief’ voor één uitgever wordt gewerkt – wat het verbod impliceert om voor anderen te werken. Sommige ‘freelancers’ worden onderworpen aan interne controle- en sanctiemogelijkheden in het bedrijf.

Met schijnzelfstandigen slaan werkgevers een dubbele slag. Mensen met een zelfstandig statuut kosten hun doorgaans een stuk minder dan journalisten met een loonstatuut. En bovendien kunnen ze freelancers van de ene op de andere dag aan de kant schuiven, zonder daarbij gebonden te zijn door vervelende opzeggingstermijnen of dure opzeggingsvergoedingen en dito contractverbrekingen.

In de jaren ’90 van vorige eeuw woekerde het fenomeen van de schijnzelfstandigheid volop. Via diverse gerechtelijke procedures zijn toen ook mediabedrijven gewezen op hun verantwoordelijkheid. Sindsdien is er minder sprake van formeel onwettige schijnzelfstandigheid, maar dat belet niet dat nog altijd veel freelancers zich zo voelen.

Onvrijwillig zelfstandig

Foto: Philip Reynaers © Photo News
Foto: Philip Reynaers
© Photo News

Steekproeven tonen aan dat voor de helft van de freelancejournalisten in Vlaanderen het statuut van zelfstandige geen vrije keuze is. Dat gebeurt tegen de achtergrond van moderne managementprocessen als ‘outsourcing’ en ‘flexibilisering’ van het werk. Zeker met de economisch-financiële crisis en mediafusies zijn vaste banen op een redactie een schaars goed geworden.

Met schijnzelfstandigheid is de betrokken journalist absoluut niet gebaat. Hij kan niet voluit genieten van de voordelen van het statuut, en tegelijk mist hij de voordelen van een arbeidsovereenkomst. Deze laatste situeren zich zowel op het niveau van de arbeidsvoorwaarden (loonregeling, ontslagbescherming, recht op vakantie) als op het vlak van de sociale zekerheid (hoger beschermingsniveau op het vlak van werkloosheid, arbeidsongevallen, beroepsziekten). Maar ook de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), die op die manier een hoop sociale bijdragen misloopt, is gedupeerde partij. Reden waarom schijnzelfstandigheid, als een vorm van sociale fraude, de aandacht trekt van de RSZ en de Sociale Inspectie.

Arbeidsrechtbank beslist

De opdrachtgever heeft in principe niet het laatste woord als hij een samenwerkingsverband als ‘zelfstandige arbeid’ catalogiseert. Een forse stem in het kapittel heeft de RSZ, die de sociale bijdragen ontvangt die gerelateerd zijn aan arbeidscontracten. Maar het laatste woord hebben uiteindelijk de arbeidsrechtbanken. Zij beslissen, bij een conflict dat aan hen wordt voorgelegd, definitief of een werkverhouding als arbeidsovereenkomst dan wel als zelfstandige aanneming moet worden beschouwd.

Daarvoor baseren de arbeidsrechtbanken zich op de eerder vermelde wettelijke criteria van contractuele afspraken, de feitelijke arbeidstijdregeling, onderworpenheid aan gezag en beschikbaarheid.

Regularisatie

In een aantal gevallen is een zelfstandige samenwerking aldus omgezet in een arbeidsovereenkomst. Voor de journalist heeft zo’n regularisatie voordelen. Hij wordt dan alsnog onderworpen aan de regels van het arbeidsrecht, bijvoorbeeld inzake een opzeggingstermijn of -vergoeding. Bovendien verwerft hij dan ook de voordelen van de sociale zekerheid die voor werknemers gelden, en die blijven nu eenmaal interessanter dan wat het sociaal statuut van de zelfstandige te bieden heeft. Je moet er wel rekening mee houden dat vorderingen in het sociaal recht in de regel verjaren na vijf jaar.

We moeten natuurlijk realistisch blijven: voor een journalist die zich in een situatie van schijnzelfstandigheid bevindt, is het niet vanzelfsprekend om die situatie fel aan te klagen bij zijn uitgever. Het risico dat de hakbijl valt is dan meer dan denkbeeldig. Het belet niet dat ook na het beëindigen van de samenwerking nog een regularisatie kan worden gevraagd.

Terug naar ‘Journalist en ondernemer’