Loontrekkende beroepsjournalisten krijgen, wanneer ze met pensioen gaan, een door de wet gewaarborgd meer dan aardig extraatje in de vorm van een aanvullend pensioenbedrag. Per jaar dat er is gewerkt als loontrekkende beroepsjournalist, komt er 1/3 van het gewone pensioen bij. Dat veronderstelt dan wel dat de werkgever en de beroepsjournalist zijn tegemoetgekomen aan de wettelijke plicht om extra sociale bijdragen te betalen aan de RSZ.

Oorsprong en essentie

Voor de historiek van het aanvullende journalistenpensioen moeten we terug naar de twee Wereldoorlogen. Journalisten weigerden toen in groten getale mee te werken aan hun door de Duitse bezetter opgevorderde kranten, en gingen massaal in het verzet. Ter compensatie voor de verloren dienstjaren en als beloning voor hun moed, stelde de Belgische regering een aanvullend pensioen in het vooruitzicht. Met het Koninklijk Besluit van 27 juli 1972 werd de regeling (eindelijk) een feit.

Weliswaar staan de journalisten zelf en vooral hun werkgevers in voor het gros van de financiering van het regime, via aanvullende sociale bijdragen op het loon. Maar het bijzondere – en voor de journalist interessante – eraan is dat het om een wettelijk, dus verplicht pensioenstelsel gaat, goed te onderscheiden van een sociaal (via cao) of privaat pensioenspaarplan. Noch de werkgever noch de werknemer kan eraan verzaken.

Voorwaarden: erkenning als beroepsjournalist en werknemer

Journalisten vallen onder het regime wanneer ze cumulatief aan twee voorwaarden voldoen: ze zijn/waren erkend als beroepsjournalist en ze werk(t)en als loontrekkende.

Voor een erkenning als beroepsjournalist moet men voldoen aan vijf voorwaarden die in een wet van 30 december 1963 worden opgesomd. Om te beginnen moet je hoofdactiviteit journalistiek werk zijn dat je verricht voor een ‘algemeen nieuwsmedium’. Die journalistieke activiteit moet je ook voldoende bestaansmiddelen opleveren. Daarenboven mag je dat werk niet combineren met een ‘commerciële’ nevenactiviteit, die je journalistieke onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen. Voor een erkenning moet je aan die voorwaarden minstens twee jaar voldoen, moet je ook minstens 21 jaar zijn, en mag je niet zijn vervallen van je burgerlijke en politieke rechten.

Belangrijk: erkende journalisten van beroep die werken voor vakpers, en hun officieel statuut danken aan een Koninklijk Besluit uit 1965, komen niet in aanmerking voor het aanvullende journalistenpensioen.

Tweede voorwaarde is dat men werkt(e) als loontrekkende. Werkgevers zijn dan verplicht voor de betrokken journalist in loondienst de aanvullende pensioenbijdragen te vereffenen.

Belangrijk hier: freelancejournalisten vallen niet onder het regime. Journalisten met een ambtenarenstatuut evenmin. Maar journalisten die werken met een uitzendstatuut dan weer wel: in hun geval is het uitzendkantoor formeel gezien de werkgever die de aanvullende pensioenbijdragen moet doorstorten.

 

Wie betaalt, en hoeveel?

De Belgische Staat betaalt het pensioensupplement voor loontrekkende beroepsjournalisten niet zelf. In 1972 is een systeem van autofinanciering in het leven geroepen, dat erop neerkomt dat de werkgever 2% extra sociale zekerheidsbijdragen op het brutoloon betaalt en de loontrekkende beroepsjournalist zelf 1% – dit althans zolang de journalist aan de twee cumulatieve voorwaarden voldoet. Controleer op je maandelijkse loonfiche of die extra inhouding wel degelijk gebeurt!

Voor de journalisten die voor 1972 al aan de slag waren, kon die bijkomende sociale heffing natuurlijk moeilijk nog gebeuren, en hun journalistenpensioen wordt dan ook met een overheidssubsidie gefinancierd. In dat verband ontvangt de VVJ van de Vlaamse Gemeenschap een jaarlijkse subsidie van (we ronden af) € 55.000 die rechtstreeks aan de Pensioentoren wordt doorgestort.

 

Wat bij gedeeltelijke carrières of werkloosheid?

Een loontrekkende beroepsjournalist die uit het vak stapt, mag gerust zijn: alle opgebouwde aanvullende pensioen blijft verworven.

En ook zij die een deel van hun loopbaan in het water zien vallen door werkongeschiktheid, werkloosheid of SWT, moeten niet panikeren. Volgen die situaties onmiddellijk op een periode waarin men als loontrekkende beroepsjournalist aan het werk was, dan worden ze voor het journalistenpensioen gelijkgesteld met dienstjaren. En dit zonder dat een werkgever de extra sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald. Opgelet, werkloosheid wordt als periode van inactiviteit enkel gelijkgesteld, als men uitkeringsgerechtigd werkloos is.

 

Waarop te letten?

Van zodra je én loontrekkende én erkend beroepsjournalist bent, moet je werkgever de extra RSZ-bijdragen betalen. De Erkenningscommissie voor beroepsjournalisten speelt hiertoe nieuwe erkenningen automatisch door aan de betrokken werkgever. Pols bij de personeelsdienst of alles in orde is, en ga op je loonfiche na of de bijkomende inhouding van 1% op je eigen brutoloon gebeurt. Let hier ook op wanneer je van werkgever verandert. Het aanvullend journalistenpensioen wordt (sinds 1972) enkel toegekend voor de beroepsjaren dat de aanvullende RSZ-bijdragen werden betaald.

Wettelijk is bepaald dat de Erkenningscommissie alle erkenningen van beroepsjournalisten om de vijf jaar moet controleren en (al dan niet) hernieuwen. Bij die gelegenheid krijgen de werkgevers geactualiseerde lijsten van alle beroepsjournalisten in hun bedrijf.

Een makkelijke weg om uit te zoeken of er correct wordt bijgedragen, is via mypension.be. Daar moet je, als alles in orde is, snel kunnen zien of je werkgever voor de jaren dat je als loontrekkende beroepsjournalist hebt gewerkt, de aanvullende sociale bijdrage heeft betaald.

Wat als de aanvullende bijdragen niét worden/zijn betaald?

Dring er in dat geval zo snel mogelijk bij je werkgever op aan dat hij zich alsnog in regel stelt.

Voor niet-betaalde bijdragen in het verleden kun je een regularisering vragen, althans tot drie jaar terug.

Verwittig desnoods het VVJ-secretariaat (info@journalist.be). Dat bezorgt je een typebrief waarmee je de Rijksdienst voor Pensioenen (RVP) kan aanschrijven. De Pensioentoren zal de werkgever aanmanen om de niet-betaalde sociale bijdragen alsnog te vereffenen.

Belangrijk is nog artikel 26 van de RSZ-wet van 27 juni 1969: dit verbiedt werkgevers om op hun werknemers de sociale zekerheidsbijdragen te verhalen waarvan ze de inhoudingen niet te gepasten tijde hebben gedaan.

En wat levert zo’n journalistenpensioen nu op?

Wie een volledige loopbaan als journalist achter de rug heeft, waarvoor de aanvullende sociale bijdragen van 3% werden betaald, krijgt een pensioensupplement van 33% van het gewone bediendenpensioen. Niet iedereen haalt een volledige carrière als beroepsjournalist (of zat niet steeds aan het loonplafond), en dan wordt het aanvullende journalistenpensioen pro rata verminderd. Een voorbeeld: iemand met een loopbaan van 42 jaar als beroepsjournalist voor wie de extra sociale bijdragen werden betaald, krijgt bij pensionering 42/45 keer 33% keer het gewone bediendenpensioen uitbetaald op het einde van de rit.

Concreet: een ‘gewoon’ bediendenpensioen van (afgerond) € 18.000 bruto per jaar komt voor gepensioneerde beroepsjournalisten neer op grofweg € 24.000 bruto. Voor de (hogere) gezinspensioenen ligt de verhouding op (opnieuw afgerond) € 22.700 tegenover € 30.300 bruto per jaar. Wat daar netto van overblijft, hangt vanzelfsprekend af van factoren zoals andere inkomsten en kinderlast. Belangrijk: elk geval is verschillend. Om écht zicht te krijgen op je pensioenbedrag raadpleeg je mypension.be. Of vraag via je gemeentebestuur een raming aan bij de RVP – iets wat mogelijk is vanaf 55 jaar. Let er dan ook op dat het journalistensupplement terug te vinden is in de berekening.

En de administratieve mallemolen?

Die blijft al bij al beperkt. Voor beroepsjournalisten die via de gemeente hun pensioen aanvragen, opent de RVP automatisch een dossier ‘beroepsjournalist’. In het kader daarvan vraagt de RVP ook aan de VVJ/AVBB en de uitgeverskoepels om de carrière van de betrokkene als loontrekkende beroepsjournalist te bevestigen.